ECLI:NL:HR:2024:261

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 februari 2024
Publicatiedatum
21 februari 2024
Zaaknummer
22/04056
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 273f.1.2 SrArt. 273f.1.5 SrArt. 245 SrArt. 240b.1 SrArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
7 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatie in zaak mensenhandel en bezit kinderporno minderjarige

De zaak betreft een jeugdzaak waarin de verdachte werd beschuldigd van mensenhandel door te trachten een minderjarige in de prostitutie te brengen, ontucht met een minderjarige tussen 12 en 16 jaar, en bezit van kinderporno. In eerste aanleg werd de verdachte vrijgesproken.

Het hof Amsterdam heeft in hoger beroep het cassatieberoep van de verdachte verworpen. De verdediging stelde een alternatief scenario voor, maar het hof heeft dit niet als een beroep op een alternatief scenario gezien, wat aan de feitenrechter is voorbehouden. De Hoge Raad onderschrijft deze uitleg en ziet geen reden tot cassatie.

De conclusie van de plaatsvervangend advocaat-generaal en de schriftelijke reactie van de raadsman van de verdachte zijn meegenomen in de beoordeling. De Hoge Raad oordeelt dat de klachten niet leiden tot vernietiging van het arrest en hoeft dit niet nader te motiveren omdat het niet van belang is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.

Het arrest is uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 27 februari 2024 tijdens een openbare terechtzitting.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het hof Amsterdam.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/04056 J
Datum27 februari 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 26 oktober 2022, nummer 23-002805-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft T. de Heer, advocaat te Almere, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de wijze waarop het hof een door de verdediging geschetst alternatief scenario heeft verworpen.
2.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de plaatsvervangend advocaat-generaal onder 2.2 tot en met 2.4.

3.Beoordeling van het tweede en het derde cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
27 februari 2024.