Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel in het principale beroep
4.Beoordeling van het middel in het incidentele beroep
5.Beslissing
16 februari 2024.
Hoge Raad
Partijen, die een affectieve relatie hadden en samenwoonden, gingen in augustus 2018 uit elkaar. De woning was in gemeenschappelijk eigendom (50/50). In een bodemprocedure werd de woning aanvankelijk aan de vrouw toegewezen onder de voorwaarde dat zij de volledige eigendom kon verkrijgen en de man uit de hypotheek aansprakelijkheid kon ontslaan.
De man stelde hoger beroep in, waarna het hof de woning aan hem toekende onder een opschortende voorwaarde dat hij binnen drie maanden de financiering zou realiseren. De vrouw had de hypothecaire leningen afgelost en betaalde de man de helft van het verschil tussen hypotheekschuld en taxatiewaarde.
De vrouw vorderde in kort geding dat de man de woning niet aan zichzelf mocht leveren, stellende dat de financiering niet tijdig was gerealiseerd. De voorzieningenrechter gaf haar gelijk, maar het hof vernietigde dit en wees de vordering af. Het geschil betrof de uitleg van de opschortende voorwaarde en welk bedrag de man moest betalen bij levering.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat de man niet ook financiering hoefde te regelen voor terugbetaling van het bedrag dat de vrouw aan hem had betaald wegens overbedeling. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak naar het hof Amsterdam voor verdere behandeling. Het incidentele cassatieberoep van de man wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak voor verdere behandeling naar het gerechtshof Amsterdam.