Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel in het principale beroep
4.Beoordeling van het middel in het incidentele beroep
5.Beslissing
16 februari 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil tussen een lid van de Drents Overijsselse Coöperatie Kaas (DOC Kaas) en de coöperatie zelf over de beëindiging van het lidmaatschap en de verrekening van een transactiesom.
[eiser], lid sinds 2015, had een deel van zijn bedrijf verpacht zonder toestemming, waarna DOC Kaas het lidmaatschap met onmiddellijke ingang opzegde. DOC Kaas verrekende een uittredingsvergoeding en de eerder betaalde transactiesom met het melggeld van [eiser]. Het hof oordeelde dat het opzeggingsbesluit redelijk was en verklaarde artikel 11 lid 4 van Pro het huishoudelijk reglement nietig wegens gebrek aan statutaire basis, waardoor DOC Kaas ten onrechte een deel van het melkgeld had verrekend.
De Hoge Raad stelt vast dat het hof vordering II (betaling melkgeld bij voortgezet lidmaatschap) ten onrechte niet heeft afgewezen nu het lidmaatschap beëindigd is. De Hoge Raad vernietigt het arrest voor zover DOC Kaas is veroordeeld tot betaling van € 26.756,53 en veroordeelt DOC Kaas tot betaling van de volledige transactiesom van € 109.849,75 met wettelijke handelsrente vanaf 15 november 2016. Het incidentele beroep van DOC Kaas wordt verworpen.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt deel arrest en veroordeelt DOC Kaas tot betaling van volledige transactiesom met wettelijke rente.