ECLI:NL:HR:2024:236

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 februari 2024
Publicatiedatum
13 februari 2024
Zaaknummer
23/02256
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287 SrArt. 437 lid 2 Wetboek van Strafvordering
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatie in poging tot doodslag zaak

In deze strafzaak gaat het om een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch inzake poging tot doodslag in 2018 in Breda. Verdachte zou naar aanleiding van een ruzie met een schop meerdere malen in de richting van het hoofd van zijn zwager hebben geslagen, hetgeen valt onder artikel 287 Sr Pro.

Het cassatieberoep werd door verdachte ingesteld, maar er zijn geen cassatiemiddelen ingediend door zijn advocaat binnen de daarvoor geldende wettelijke termijn. De Hoge Raad toetst daarom de ontvankelijkheid van het beroep en constateert dat niet is voldaan aan de verplichting tot het indienen van schriftelijke klachten.

Op grond van artikel 437 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering kan de Hoge Raad het beroep niet in behandeling nemen. Daarom verklaart de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk en bevestigt daarmee het arrest van het gerechtshof.

De uitspraak werd gedaan door raadsheer C.N. Dalebout op 13 februari 2024, in aanwezigheid van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, tijdens een openbare terechtzitting.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet indienen van cassatiemiddelen binnen de wettelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/02256
Datum13 februari 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 7 juni 2023, nummer 20-001722-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Cassatiemiddelen zijn namens deze niet voorgesteld.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De wet bepaalt binnen welke termijn een advocaat namens de verdachte een schriftuur met cassatiemiddelen (klachten) bij de Hoge Raad moet indienen. Aan die verplichting is niet voldaan. Het gevolg daarvan is dat de Hoge Raad het beroep van de verdachte niet in behandeling kan nemen (zie artikel 437 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering).

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
13 februari 2024.