De zaak betreft het cassatieberoep van een verdachte die wordt verdacht van medeplegen en voorbereiding van moord in Berlijn. Het hof had geoordeeld dat berichten van het beveiligde Ennetcom-netwerk als bewijsmateriaal konden worden gebruikt. Deze berichten waren verkregen via servers in Canada, waarbij een Canadese rechter toestemming had gegeven onder strikte voorwaarden.
De verdediging voerde aan dat de Ennetcom-berichten onrechtmatig waren verkregen omdat er geen machtiging van de Nederlandse rechter-commissaris was voor het gebruik in het specifieke onderzoek. De Hoge Raad bevestigde echter dat het Wetboek van Strafvordering zich niet verzet tegen het vragen van een machtiging van de rechter-commissaris voor het gebruik van dergelijke gegevens, ook al is dat niet expliciet vereist, omdat dit verband houdt met de voorwaarden van het verdrag tussen Nederland en Canada.
Het hof had vastgesteld dat de rechter-commissaris de vereiste machtiging had verleend voor het gebruik van de Ennetcom-gegevens in het deelonderzoek Zwaluw. De Hoge Raad oordeelde dat dit voldoende was en verwierp het cassatieberoep. Tevens werd vastgesteld dat de redelijke termijn was overschreden, maar zonder verdere rechtsgevolgen.
De uitspraak bevestigt de rechtmatigheid van het gebruik van buitenlandse rechtshulpdata onder strikte voorwaarden en het belang van rechterlijke toetsing bij het gebruik van dergelijk bewijs in strafzaken.