ECLI:NL:HR:2024:1864

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 december 2024
Publicatiedatum
12 december 2024
Zaaknummer
24/00372
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 3:296 BW
Verwijzingen
7 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep inzake overdracht grafrechten en onrechtmatige daad

In deze zaak stond de vraag centraal of de weigering tot overdracht van grafrechten een onrechtmatige daad opleverde en of de overdracht van deze rechten kon worden afgedwongen op grond van artikel 3:296 BW Pro. De feiten en eerdere uitspraken van de rechtbank Noord-Nederland en het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vormden de basis van het geschil.

Eisers hadden tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld, waarbij verweerder voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep instelde. Beide partijen concludeerden tot verwerping van elkaars beroep. De Advocaat-Generaal adviseerde eveneens tot verwerping van het principale cassatieberoep.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van eisers niet tot vernietiging van het arrest van het hof konden leiden en dat het niet nodig was om de rechtsvragen nader te motiveren, omdat deze niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het voorwaardelijke incidentele beroep van verweerder werd niet behandeld.

Gezien de familiale verbondenheid van partijen besloot de Hoge Raad de proceskosten te compenseren, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het arrest werd op 13 december 2024 gewezen en in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en compenseert de proceskosten.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer24/00372
Datum13 december 2024
ARREST
In de zaak van
1. [eiser 1],
wonende te [woonplaats],
2. [eiseres 2],
wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie, verweerders in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,
hierna gezamenlijk: [eisers],
advocaat: K. Aantjes,
tegen
[verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie, eiser in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,
hierna: [verweerder],
advocaat: J.H.M. van Swaaij.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak C/17/178642 / HA ZA 21-117 van de rechtbank Noord-Nederland van 11 mei 2022;
b. de arresten in de zaak 200.315.380/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 4 april 2023 en 28 november 2023.
[eisers] hebben tegen het arrest van het hof van 28 november 2023 beroep in cassatie ingesteld.
[verweerder] heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal S.D. Lindenbergh strekt tot verwerping van het principale cassatieberoep.
De advocaat van [eisers] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel in het principale beroep

2.1
De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).
Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat het middel in het principale beroep tot vernietiging van het arrest van het hof leidt, behoeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen behandeling.
2.2
Gelet op de aard van het geschil en de familiale verbondenheid van partijen zal de Hoge Raad de kosten compenseren.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- verwerpt het principale beroep;
- compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, als voorzitter, C.E. du Perron, H.M. Wattendorff, S.J. Schaafsma en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op
13 december 2024.