ECLI:NL:HR:2024:1806

Hoge Raad

Datum uitspraak
6 december 2024
Publicatiedatum
5 december 2024
Zaaknummer
24/00114
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 24 RvArt. 3:310 BW
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatie in zaak over rentederivaat en zorgplicht bank

In deze zaak vordert eiser tegen ING Bank wegens schending van de zorgplicht, wanprestatie en onrechtmatige daad in verband met het sluiten van een tweede rentederivaat (swap). Eiser stelt dat ING naliet te informeren over de negatieve waarde en de renteverwachting bij het aangaan van de tweede swap, ondanks gepersonaliseerde advisering.

De procedure begon bij de rechtbank Amsterdam, waarna het gerechtshof Amsterdam het geschil behandelde en een arrest wees. Eiser stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof. De Hoge Raad verwijst naar de eerdere vonnissen en het arrest voor het procesverloop.

De Hoge Raad beoordeelt de klachten van eiser over het arrest van het hof en concludeert dat deze niet leiden tot vernietiging. De Hoge Raad motiveert dit niet uitvoerig omdat het niet noodzakelijk is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 RO Pro.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en veroordeelt eiser in de kosten van het geding. Hiermee blijft het arrest van het hof in stand, waarbij de bank niet aansprakelijk wordt gehouden voor de gestelde tekortkomingen in de advisering en informatieverstrekking over het rentederivaat.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer24/00114
Datum6 december 2024
ARREST
In de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
hierna: [eiser],
advocaat: P.J. Tanja,
tegen
ING BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: ING,
advocaten: B.F.L.M. Schim en F.E. Vermeulen.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/13/675537 / HA ZA 19-1215 van de rechtbank Amsterdam van 15 juli 2020 en 3 februari 2021;
b. het arrest in de zaak 200.296.180/01 van het gerechtshof Amsterdam van 10 oktober 2023.
[eiser] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
ING heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, en voor [eiser] mede door M.W. Bakker en voor ING mede door K.W.G. Heesterbeek.
De conclusie van de Advocaat-Generaal S.D. Lindenbergh strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [eiser] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van ING begroot op € 873,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op
6 december 2024.