ECLI:NL:HR:2024:178

Hoge Raad

Datum uitspraak
6 februari 2024
Publicatiedatum
5 februari 2024
Zaaknummer
22/03039
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 lid 1 SrArt. 359 SvArt. 6 lid 1 EVRM
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak bedreiging opsporingsambtenaren bij boerenprotesten bevestigd in cassatie

In deze jeugdzaak stond de vraag centraal of verdachte opzettelijk opsporingsambtenaren van de Koninklijke Marechaussee had bedreigd door met zijn tractor gevaarlijk dicht langs hen te rijden en bijna aan te rijden tijdens boerenprotesten rond Eindhoven in 2020. De rechtbank sprak verdachte vrij, maar het hof vernietigde dit vonnis en veroordeelde verdachte tot een taakstraf en subsidiair jeugddetentie.

Het cassatieberoep richtte zich op de vraag of het hof terecht had geoordeeld dat verdachte opzet had op het veroorzaken van vrees bij de opsporingsambtenaren en of het hof voldoende had gemotiveerd waarom het afweek van het oordeel van de kinderrechter. De Hoge Raad oordeelde dat het hof zijn bewijsbeslissing voldoende had gemotiveerd en dat het oordeel over het opzet niet onbegrijpelijk was, gezien het gedrag van verdachte.

Daarnaast constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn voor de cassatieprocedure was overschreden, maar vond dit gezien de lichte straf geen aanleiding tot verdere rechtsgevolgen. Het cassatieberoep werd derhalve verworpen en het arrest van het hof bleef in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hofarrest met taakstraf en subsidiaire jeugddetentie blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/03039 J
Datum6 februari 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 10 augustus 2022, nummer 20-001859-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft Th.J.H.M. Linssen, advocaat te Tilburg, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad zal vaststellen dat zich een overschrijding heeft voorgedaan van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, maar dat met de enkele constatering van die overschrijding zal worden volstaan en dat het beroep voor het overige wordt verworpen.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel

2.1
Het eerste en het tweede cassatiemiddel klagen in de kern dat de bewezenverklaring niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.
2.2
De cassatiemiddelen leiden niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.8 tot en met 2.11 en 3.2.

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

Op de verdachte is het strafrecht voor jeugdigen toegepast. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 35 uren, subsidiair 17 dagen jeugddetentie, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
6 februari 2024.