Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
29 november 2024.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een verzoek van de vader om het gezamenlijk gezag over zijn minderjarige zoon, dat bij rechterlijke beschikking op grond van art. 1:253c BW was toegekend, te beëindigen en hem eenhoofdig gezag te geven. De rechtbank heeft dit verzoek toegewezen en het gerechtshof heeft deze beslissing bekrachtigd.
De moeder betoogde dat de wet niet voorziet in wijziging van gezamenlijk gezag dat is ontstaan op grond van art. 1:253c BW, omdat deze bepaling niet wordt genoemd in art. 1:253n BW. Het hof oordeelde echter dat een redelijke wetsuitleg vereist dat art. 1:253n BW ook van toepassing is op gezamenlijk gezag op grond van art. 1:253c BW, omdat anders gezamenlijk gezag dat op die grond is ontstaan nooit kan worden beëindigd, wat in strijd zou zijn met het belang van het kind en internationale verdragen zoals het IVRK.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van de moeder verworpen en bevestigd dat art. 1:253n BW van overeenkomstige toepassing is op gezamenlijk gezag dat is toegekend op grond van art. 1:253c BW. De overige klachten van de moeder werden eveneens niet gegrond verklaard. Hiermee is de wijziging van gezamenlijk gezag naar eenhoofdig gezag in dit geval rechtsgeldig.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat gezamenlijk gezag op grond van art. 1:253c BW kan worden gewijzigd via art. 1:253n BW.