ECLI:NL:HR:2024:1641

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 november 2024
Publicatiedatum
11 november 2024
Zaaknummer
22/04700
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e.2 SrArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onvoldoende motivering ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel

In deze zaak gaat het om een cassatieberoep tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (w.v.v.) uit de verkoop van hennep en andere strafbare feiten in de periode van december 2009 tot juni 2011.

Het hof had geoordeeld dat de betrokkene ook voor de periode voorafgaand aan de bewezenverklaarde periode (1-12-2009 tot 1-6-2010) voldoende aannemelijk was betrokken bij soortgelijke strafbare feiten, mede gebaseerd op het feit dat hij sinds 2006 een growshop exploiteerde en in 2009 concreet in verband werd gebracht met drugshandel. De Hoge Raad stelt echter dat dit oordeel ontoereikend gemotiveerd is, omdat uit de aangevoerde feiten en omstandigheden niet zonder meer kan worden afgeleid dat de betrokkene zich buiten redelijke twijfel schuldig heeft gemaakt aan die soortgelijke feiten.

De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het oordeel van het hof voor het bedrag dat de betalingsverplichting te boven gaat en tot terugwijzing van de zaak. De Hoge Raad volgt dit advies en vernietigt het oordeel over het bedrag boven €143.156,88, wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling en verwerpt het beroep voor het overige.

De uitspraak is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en is uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 12 november 2024.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor het bedrag boven €143.156,88 en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/04700 P
Datum12 november 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 december 2022, nummer 21-001979-18, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,
hierna: de betrokkene.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze hebben J. Kuijper en D.W.E. Sternfeld, beiden advocaat in Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, opdat het hof deze op het bestaande beroep zal afdoen.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat het oordeel van het hof dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit strafbare feiten begaan voorafgaand aan de in de strafzaak bewezenverklaarde periode (onderdeel C), ontoereikend is gemotiveerd.
2.2
Het cassatiemiddel is in zoverre terecht voorgesteld. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 23 tot en met 29. De Hoge Raad zal de uitspraak van het hof in zoverre – dus tot een bedrag van (€ 189.240 gedeeld door 4 minus 10% daarvan is) € 42.579 – vernietigen.
2.3
De Hoge Raad heeft ook de verder in het cassatiemiddel aangevoerde klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend voor zover de betalingsverplichting ziet op onderdeel C, dus voor zover zij het bedrag van € 143.156,88 te boven gaat;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak in zoverre opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
12 november 2024.