Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
12 november 2024.
Hoge Raad
In deze zaak gaat het om een cassatieberoep tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (w.v.v.) uit de verkoop van hennep en andere strafbare feiten in de periode van december 2009 tot juni 2011.
Het hof had geoordeeld dat de betrokkene ook voor de periode voorafgaand aan de bewezenverklaarde periode (1-12-2009 tot 1-6-2010) voldoende aannemelijk was betrokken bij soortgelijke strafbare feiten, mede gebaseerd op het feit dat hij sinds 2006 een growshop exploiteerde en in 2009 concreet in verband werd gebracht met drugshandel. De Hoge Raad stelt echter dat dit oordeel ontoereikend gemotiveerd is, omdat uit de aangevoerde feiten en omstandigheden niet zonder meer kan worden afgeleid dat de betrokkene zich buiten redelijke twijfel schuldig heeft gemaakt aan die soortgelijke feiten.
De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het oordeel van het hof voor het bedrag dat de betalingsverplichting te boven gaat en tot terugwijzing van de zaak. De Hoge Raad volgt dit advies en vernietigt het oordeel over het bedrag boven €143.156,88, wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling en verwerpt het beroep voor het overige.
De uitspraak is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en is uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 12 november 2024.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor het bedrag boven €143.156,88 en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.