Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
15 oktober 2024.
Hoge Raad
De verdachte werd in eerste aanleg vrijgesproken van schuldwitwassen met betrekking tot de aankoop van een perceel grond in Andorra. Het hof Den Haag oordeelde dat het bewezenverklaarde schuldwitwassen niet kon worden toegerekend aan de verdachte omdat het geld dat voor de aankoop werd gebruikt afkomstig was uit misdrijven van derden en niet uit eigen misdrijven van de verdachte.
In cassatie stelde de verdachte dat het bewezenverklaarde wel schuldwitwassen opleverde, maar de Hoge Raad verwierp dit middel. De Hoge Raad volgde de motivering van het hof en de conclusie van de advocaat-generaal dat het hof terecht oordeelde dat sprake was van schuldwitwassen door het enkel voorhanden hebben van geld, maar dat de verdachte meer had gedaan dan dat, namelijk het aankopen van het perceel met geld dat niet uit eigen misdrijven kwam.
De Hoge Raad vond geen reden om het arrest van het hof te vernietigen en wees het cassatieberoep af. De uitspraak bevestigt dat schuldwitwassen niet kan worden bewezen als het geld niet uit eigen misdrijven van de verdachte afkomstig is, ook al is het geld gebruikt voor de aankoop van een onroerend goed.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de vrijspraak van schuldwitwassen.