ECLI:NL:HR:2024:1429
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt uitleg Douanewetboek inzake omzetbelasting bij invoer en directe vertegenwoordiging
Belanghebbende, een B.V., stelde cassatieberoep in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam over uitnodigingen tot betaling van omzetbelasting bij invoer, gericht aan een andere B.V. De zaak betrof de toepassing van artikelen 44 en 109 lid 2 van het Douanewetboek van de Unie (DWU) en de methode van directe vertegenwoordiging bij de aangifte en betaling van douaneschulden.
De Hoge Raad verwees naar een eerder arrest van 24 november 2023 waarin de uitleg van de artikelen 231 en 243 van het Communautair douanewetboek (CDW) centraal stond. Geconstateerd werd dat de inhoud en strekking van de DWU-artikelen niet afwijken van die van het CDW. Op basis hiervan oordeelde de Hoge Raad dat de directe vertegenwoordiger geen recht heeft op beroep tegen uitnodigingen tot betaling die op naam van de vertegenwoordigde zijn uitgereikt.
De Hoge Raad wees het cassatieberoep af en zag geen reden tot veroordeling in de proceskosten. Hiermee blijft de uitleg van het DWU in lijn met het eerdere arrest en wordt bevestigd dat de betalingsfaciliteit via maandkrediet van de directe vertegenwoordiger en betaling door derden geen afwijkende rechten aan de vertegenwoordiger toekennen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van het Gerechtshof blijft in stand.