ECLI:NL:HR:2024:1429

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 oktober 2024
Publicatiedatum
10 oktober 2024
Zaaknummer
23/03018
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 44 DWUArt. 109 lid 2 DWUArt. 231 CDWArt. 243 CDW
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt uitleg Douanewetboek inzake omzetbelasting bij invoer en directe vertegenwoordiging

Belanghebbende, een B.V., stelde cassatieberoep in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam over uitnodigingen tot betaling van omzetbelasting bij invoer, gericht aan een andere B.V. De zaak betrof de toepassing van artikelen 44 en 109 lid 2 van het Douanewetboek van de Unie (DWU) en de methode van directe vertegenwoordiging bij de aangifte en betaling van douaneschulden.

De Hoge Raad verwees naar een eerder arrest van 24 november 2023 waarin de uitleg van de artikelen 231 en 243 van het Communautair douanewetboek (CDW) centraal stond. Geconstateerd werd dat de inhoud en strekking van de DWU-artikelen niet afwijken van die van het CDW. Op basis hiervan oordeelde de Hoge Raad dat de directe vertegenwoordiger geen recht heeft op beroep tegen uitnodigingen tot betaling die op naam van de vertegenwoordigde zijn uitgereikt.

De Hoge Raad wees het cassatieberoep af en zag geen reden tot veroordeling in de proceskosten. Hiermee blijft de uitleg van het DWU in lijn met het eerdere arrest en wordt bevestigd dat de betalingsfaciliteit via maandkrediet van de directe vertegenwoordiger en betaling door derden geen afwijkende rechten aan de vertegenwoordiger toekennen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van het Gerechtshof blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer23/03018
Datum11 oktober 2024
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 20 juni 2023, nrs. 22/02299 en 22/02300 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nrs. HAA 19/3118 en HAA 19/3119) betreffende ten aanzien van [A] B.V. uitgereikte uitnodigingen tot betaling van omzetbelasting.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door J.A. Biermasz en F. Taptik, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend.

2.Beoordeling van het middel

Het middel faalt op de gronden zoals vermeld in de rechtsoverwegingen 4.3 tot en met 4.6 van het arrest van de Hoge Raad van 24 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1626. Dat arrest ziet op de uitleg van de artikelen 231 en 243 van het Communautair douanewetboek (hierna: het CDW). Het is buiten redelijke twijfel dat de inhoud en strekking van de artikelen 44 en 109, lid 2, van het Douanewetboek van de Unie niet anders is dan de hiervoor vermelde artikelen van het CDW.

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2024.