Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
22 oktober 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 1 november 2022, waarin een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel werd toegewezen tegen de betrokkene. De ontneming betrof verduisterde beleggingsgelden die oorspronkelijk toekwamen aan een rechtspersoon, maar waarvan het hof oordeelde dat het voordeel persoonlijk aan de betrokkene kon worden toegerekend.
In cassatie stelde de betrokkene onder meer dat het hof ten onrechte het bedrag als persoonlijk voordeel had aangemerkt en dat er sprake zou zijn van dubbele ontneming, omdat niet aannemelijk zou zijn dat het voordeel aan hem en een medebetrokkene was toegevallen, behalve een deel van € 42.352,39.
De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad achtte het niet nodig om de motivering van het hof nader te toetsen, omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het cassatieberoep is daarom verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel tegen de betrokkene.