ECLI:NL:HR:2024:1368
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake uitkeringsduur Werkloosheidswet
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep inzake een besluit van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen op grond van de Werkloosheidswet. Het cassatieberoep richt zich op de uitkeringsduur zoals geregeld in de artikelen 42 en volgende van de Werkloosheidswet.
De Hoge Raad overweegt dat op grond van artikel 129d, lid 1, van de Werkloosheidswet cassatie alleen mogelijk is bij schending of verkeerde toepassing van de artikelen 2 tot en met 12 en 14, lid 1, van die wet en de daarop berustende bepalingen. Omdat het beroep in cassatie ziet op bepalingen buiten deze artikelen, kan het beroep niet slagen.
De Hoge Raad ziet geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Hiermee blijft de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep in stand.
Het arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter en raadsheren M.W.C. Feteris en A.E.H. van der Voort Maarschalk, en in het openbaar uitgesproken op 4 oktober 2024.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep blijft in stand.