Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Rechtsingang
4.Beoordeling van het middel
5.Beslissing
27 september 2024.
Hoge Raad
De werkneemster was sinds 2002 in dienst bij Metafoor en raakte in 2014 arbeidsongeschikt. Vanaf 2016 was sprake van een slapend dienstverband. In januari 2017 deed zij een verzoek tot beëindiging van haar dienstverband onder betaling van een transitievergoeding, mede vanwege de aankomende compensatieregeling voor werkgevers.
Metafoor weigerde dit verzoek toen en hield het dienstverband in stand. Na de inwerkingtreding van de Wet compensatieregeling transitievergoeding op 20 juli 2018, waarbij werkgevers compensatie kunnen krijgen bij beëindiging van langdurig zieke werknemers, was Metafoor volgens het hof gehouden het verzoek opnieuw te beoordelen en daaraan mee te werken. Metafoor liet het dienstverband echter van rechtswege eindigen bij het bereiken van de AOW-leeftijd zonder transitievergoeding te betalen.
De werkneemster vorderde daarom een schadevergoeding gelijk aan de transitievergoeding. Zowel kantonrechter als hof wezen de vordering toe. Metafoor stelde in cassatie dat het hof de temporele reikwijdte van de Xella-norm verkeerd had toegepast, omdat het verzoek van de werkneemster vóór 20 juli 2018 was gedaan en zij na die datum geen nieuw verzoek had ingediend.
De Hoge Raad oordeelt dat de Xella-norm geldt vanaf het moment dat de compensatieregeling wettelijk zeker was, namelijk 20 juli 2018. Indien een verzoek van vóór die datum nog niet definitief was afgewikkeld, moest de werkgever het verzoek na die datum alsnog in behandeling nemen. Het hof heeft dit juist beoordeeld en de klachten van Metafoor falen. Het beroep wordt verworpen en Metafoor wordt veroordeeld in de kosten van het geding.
Uitkomst: Het cassatieberoep van Metafoor wordt verworpen; de werkgever was gehouden het verzoek tot beëindiging van het dienstverband na 20 juli 2018 te beoordelen en daaraan medewerking te verlenen.