ECLI:NL:HR:2024:1225

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 oktober 2024
Publicatiedatum
13 september 2024
Zaaknummer
22/01896
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 208 SrArt. 209 SrArt. 140 lid 1 SrArt. 313 SvArt. 81 lid 1 Wet RO
Verwijzingen
9 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn bij medeplegen vervalsing bankbiljetten

In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor medeplegen van het namaken van bankbiljetten, medeplegen van het uitgeven van valse bankbiljetten en deelname aan een criminele organisatie. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden had de verdachte veroordeeld, maar de verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit arrest.

De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest uitsluitend met betrekking tot de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf, met een voorstel tot vermindering daarvan, en tot verwerping van het beroep voor het overige. De Hoge Raad heeft de ingebrachte klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest, behalve voor de strafmaat.

Vanwege de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, heeft de Hoge Raad ambtshalve de straf verminderd met twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. De rest van het arrest blijft in stand. De Hoge Raad motiveert niet uitvoerig omdat beantwoording van de klachten niet noodzakelijk is voor de rechtsontwikkeling.

De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren van de Strafkamer, op 8 oktober 2024.

Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd tot elf maanden en drie weken, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/01896
Datum8 oktober 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 mei 2022, nummer 21-003442-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft W.H. Jebbink, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze elf maanden en drie weken, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
8 oktober 2024.