Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
10 september 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een klaagschrift van een belanghebbende die de teruggave vordert van een geldbedrag van €101.730 dat onder een ander in beslag was genomen op verdenking van witwassen. De rechtbank Noord-Holland verklaarde het klaagschrift niet-ontvankelijk omdat het niet binnen drie maanden na het einde van de vervolging was ingediend, waarbij zij het klaagschrift kwalificeerde als bedoeld in artikel 552a Sv.
De Hoge Raad oordeelt dat dit oordeel onjuist is. De afstand van het geldbedrag maakte deel uit van een transactie ex artikel 74 Sr Pro tussen de verdachte en het Openbaar Ministerie, waardoor artikel 552ab Sv (oud) van toepassing is. Dit artikel bepaalt dat het klaagschrift binnen drie maanden na het voldoen aan de voorwaarden van de transactie of na bekendheid daarmee moet worden ingediend.
De rechtbank had ambtshalve moeten onderzoeken op welk moment de klager bekend werd met het voldoen aan de voorwaarden van de transactie, maar heeft dit nagelaten. Daarom is de niet-ontvankelijkverklaring op ontoereikende gronden gebaseerd. De Hoge Raad vernietigt de beschikking en wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling.
De uitspraak benadrukt het belang van correcte toepassing van de wettelijke bepalingen omtrent klaagschriften in het kader van buitengerechtelijke afdoening en de termijnen voor indiening daarvan.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de niet-ontvankelijkverklaring van het klaagschrift en wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling.