Uitspraak
1.Procesverloop
De advocaat van de Staat heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
6 september 2024.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal de vraag of de Staat terecht het privaatrechtelijk gebruiksrecht aan exploitanten van elektrische laadstations heeft verleend en tegelijkertijd toestemming voor een gemakswinkel heeft geweigerd vanwege een compensatieafspraak in een convenant met vergunninghouders van tankstations. De procedure begon bij de rechtbank Den Haag met meerdere vonnissen in 2018 en 2021, waarna het gerechtshof Den Haag op 21 maart 2023 een arrest uitbracht dat de Staat aanvocht in cassatie.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van de Staat beoordeeld en geconcludeerd dat de klachten tegen het arrest van het hof niet leiden tot vernietiging. De Hoge Raad achtte het niet nodig om de motivering van het oordeel te geven, omdat de vragen niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad bevestigde daarmee het oordeel van het hof dat een belangenafweging had plaatsgevonden waarbij het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel waren betrokken, evenals dwingende redenen van algemeen belang. Tevens speelde de Europese Dienstenrichtlijn (2006/123/EG) een rol in de beoordeling. De Staat werd veroordeeld in de proceskosten, begroot op een totaal van €3.057 exclusief wettelijke rente.
De uitspraak werd gedaan door de vicepresident en vijf raadsheren, en in het openbaar uitgesproken op 6 september 2024. Hiermee is de juridische discussie over het gebruiksrecht en de compensatieafspraak in het convenant definitief beslecht.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het hof Den Haag.