Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
4.Beslissing
2 juli 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van een onderneming. De betrokkene stelde dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard vanwege het verstrijken van de redelijke termijn, waardoor een adequate verdediging niet mogelijk was.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten over de uitspraak van het hof niet tot vernietiging konden leiden, behalve wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting. De Hoge Raad constateerde dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden, mede doordat stukken te laat door het hof waren ingezonden en meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep.
Als gevolg hiervan vernietigde de Hoge Raad het hofvonnis gedeeltelijk en verminderde de betalingsverplichting van € 308.313 naar € 303.313. Het beroep werd voor het overige verworpen. De uitspraak werd gedaan door de vice-president Borgers, samen met raadsheren Dalebout en Trotman.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de betalingsverplichting tot € 303.313 wegens overschrijding van de redelijke termijn.