ECLI:NL:HR:2023:992

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 juni 2023
Publicatiedatum
28 juni 2023
Zaaknummer
21/03571
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.C OpiumwetArt. 81 lid 1 Wet ROArt. 5.2 Wet ROArt. 6.2 Wet ROArt. 437 lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep wegens aanwezigheid hennepplanten in woning verdachte

De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 18 augustus 2021, waarin verdachte werd veroordeeld wegens het aanwezig hebben van hennepplanten in een door haar gehuurde woning, in strijd met artikel 3.C van de Opiumwet.

Verdachte voerde onder meer aan dat zij geen toegang had tot de ruimte waarin de hennepplanten werden aangetroffen, en klaagde over de bewijslast. Daarnaast werd een onvolkomenheid bij de beëdiging van de advocaat-generaal die bij de behandeling in hoger beroep betrokken was aangevoerd.

De Hoge Raad oordeelde dat de alternatieve lezing van verdachte niet houdbaar is en dat de bewijsklacht niet leidt tot vernietiging van het arrest. De aangevoerde onvolkomenheid bij beëdiging behoeft geen nadere bespreking, gelet op een eerder arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2022:1438).

Het cassatieberoep wordt verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand blijft. De Hoge Raad motiveert dit oordeel niet uitvoerig, omdat het niet noodzakelijk is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bevestigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer21/03571
Datum27 juni 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 18 augustus 2021, nummer 20-002572-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben I.T.H.L. van de Bergh en T. Straten, beiden advocaat te Maastricht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De raadslieden hebben - na het verstrijken van de in artikel 437 lid 2 Sv Pro bedoelde termijn - bij aanvullende schriftuur nog aan de orde gesteld dat bij de beëdiging van de advocaatgeneraal die bij de behandeling van de zaak in hoger beroep betrokken is geweest, zich een onvolkomenheid heeft voorgedaan. Gelet op het arrest dat de Hoge Raad op 21 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1438, heeft gewezen, behoeft dat geen verdere bespreking.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren J.C.A.M. Claassens en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
27 juni 2023.