Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het vierde cassatiemiddel
4.Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
5.Beslissing
30 mei 2023.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin verdachte werd veroordeeld voor meerdere bedreigingen, waaronder een bedreiging van een winkelmedewerker met een misdrijf dat gevaar voor de algemene veiligheid van goederen zou veroorzaken.
Het hof had geoordeeld dat de bedreiging met de woorden “Ik ga de winkel verbouwen als ik geen telefoon mee krijg” kwalificeerde als bedreiging met een misdrijf dat gevaar voor de algemene veiligheid van goederen oplevert, waarbij het hof kennelijk doelde op het misdrijf van zaaksbeschadiging. De Hoge Raad stelde echter vast dat artikel 285 Sr Pro deze bedreiging alleen ziet op misdrijven uit Boek 2, Titel VII Sr, en niet op zaaksbeschadiging uit Titel XXVII Sr.
Daarom verklaarde de Hoge Raad de bewezenverklaring ten aanzien van deze bedreiging niet begrijpelijk en sprak verdachte vrij van dit feit. De overige bewezenverklaringen, waaronder bedreigingen met misdrijven tegen het leven, bleven onverminderd van kracht. Tevens oordeelde de Hoge Raad dat de redelijke termijn was overschreden, maar dit leidde niet tot strafvermindering.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend voor het onderdeel betreffende de bedreiging van de winkelmedewerker en wees het cassatieberoep verder af.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van bedreiging winkelmedewerker wegens onjuiste kwalificatie, overige veroordelingen blijven gehandhaafd.