Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
13 juni 2023.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor feitelijk leidinggeven aan het valselijk opmaken van een bedrijfsadministratie door het opnemen van valse geschriften, in strijd met artikel 225 lid 1 van Pro het Wetboek van Strafrecht. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch had de verdachte veroordeeld, maar de verdachte stelde cassatie in tegen het arrest.
De Hoge Raad heeft het eerste cassatiemiddel, dat zich richtte op de bewijsklacht omtrent de pleegperiode van de valsheid, beoordeeld en verworpen zonder nadere motivering, omdat dit geen vragen van belang voor de rechtseenheid of -ontwikkeling betrof. Het tweede cassatiemiddel betrof de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, vanwege te late toezending van stukken door het hof.
De Hoge Raad achtte dit middel gegrond en constateerde dat meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep, wat de overschrijding van de redelijke termijn bevestigt. Dit leidde tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf met zes maanden. De Hoge Raad vernietigde het hofarrest uitsluitend voor wat betreft de strafduur en stelde deze vast op vijf maanden en twee weken gevangenisstraf, terwijl het beroep voor het overige werd verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot vijf maanden en twee weken wegens overschrijding van de redelijke termijn.