ECLI:NL:HR:2023:765

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 juni 2023
Publicatiedatum
24 mei 2023
Zaaknummer
21/00927
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 SrArt. 81 lid 1 Wet ROArt. 6 lid 1 EVRM
Verwijzingen
7 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn bij valsheid in bedrijfsadministratie

In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor feitelijk leidinggeven aan het valselijk opmaken van een bedrijfsadministratie door het opnemen van valse geschriften, in strijd met artikel 225 lid 1 van Pro het Wetboek van Strafrecht. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch had de verdachte veroordeeld, maar de verdachte stelde cassatie in tegen het arrest.

De Hoge Raad heeft het eerste cassatiemiddel, dat zich richtte op de bewijsklacht omtrent de pleegperiode van de valsheid, beoordeeld en verworpen zonder nadere motivering, omdat dit geen vragen van belang voor de rechtseenheid of -ontwikkeling betrof. Het tweede cassatiemiddel betrof de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, vanwege te late toezending van stukken door het hof.

De Hoge Raad achtte dit middel gegrond en constateerde dat meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep, wat de overschrijding van de redelijke termijn bevestigt. Dit leidde tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf met zes maanden. De Hoge Raad vernietigde het hofarrest uitsluitend voor wat betreft de strafduur en stelde deze vast op vijf maanden en twee weken gevangenisstraf, terwijl het beroep voor het overige werd verworpen.

Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot vijf maanden en twee weken wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer21/00927
Datum13 juni 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 24 februari 2021, nummer 20-002276-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft P. van de Kerkhof, advocaat te Tilburg, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van zes maanden.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze vijf maanden en twee weken beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
13 juni 2023.