ECLI:NL:HR:2023:715
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake ambtshalve vermindering inkomstenbelasting 2014
Belanghebbende heeft in cassatie beroep ingesteld tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 25 mei 2022, waarin het hoger beroep tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag werd behandeld. De zaak betrof een verzoek om ambtshalve vermindering van de voor het jaar 2014 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen, inclusief de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. De Hoge Raad heeft de ingediende klachten over het hofarrest beoordeeld en geoordeeld dat deze klachten niet leiden tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad heeft geen nadere motivering gegeven, omdat het oordeel niet van belang is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Daarnaast heeft de Hoge Raad geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen. Het arrest is op 12 mei 2023 door de raadsheren J. Wortel (voorzitter), P.A.G.M. Cools en A.E.H. van der Voort Maarschalk gewezen en in het openbaar uitgesproken. Hiermee is het beroep in cassatie ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van belanghebbende is ongegrond verklaard.