Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
24 januari 2023.
Hoge Raad
De verdachte werd vervolgd wegens het besturen van een motorrijtuig terwijl hij wist dat zijn Nederlandse rijbewijs ongeldig was verklaard. De verdachte voerde aan dat hij in het bezit was van een geldig Bosnisch rijbewijs en daarom mocht rijden.
Het hof bevestigde de bewezenverklaring dat de verdachte op 28 januari 2020 te Molenschot reed met een motorrijtuig terwijl zijn Nederlandse rijbewijs ongeldig was verklaard sinds 2013 en dat hij geen ander rijbewijs voor die categorie had ontvangen. De verdachte erkende het ongeldigverklaarde rijbewijs, maar stelde dat het Bosnische rijbewijs hem het recht gaf te rijden.
De Hoge Raad oordeelde dat artikel 9 lid Pro 2, eerste volzin, van de Wegenverkeerswet 1994 zich richt op het rijbewijs dat op naam van de verdachte is gesteld. Het bezit van een geldig buitenlands rijbewijs ontslaat niet van de strafbaarheid wanneer het Nederlandse rijbewijs ongeldig is verklaard. Het cassatiemiddel dat dit anders zou zijn, werd verworpen.
De Hoge Raad verwierp het beroep van de verdachte en bevestigde daarmee het arrest van het gerechtshof. Hiermee is duidelijk dat het rijden met een ongeldig verklaard Nederlands rijbewijs strafbaar blijft, ongeacht het bezit van een geldig buitenlands rijbewijs.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het besturen van een motorrijtuig met een ongeldig verklaard Nederlands rijbewijs strafbaar is, ook bij bezit van een geldig buitenlands rijbewijs.