ECLI:NL:HR:2023:588

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 april 2023
Publicatiedatum
14 april 2023
Zaaknummer
21/00779
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering boete wegens overschrijding redelijke termijn in cassatieprocedure belastingzaak

Belanghebbende, een besloten vennootschap, was geconfronteerd met een naheffingsaanslag omzetbelasting, een boetebeschikking en een beschikking heffingsrente over het jaar 2009. Na een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland en hoger beroep bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, stelde belanghebbende beroep in cassatie in tegen het hofarrest.

De Hoge Raad heeft de klachten van belanghebbende beoordeeld, maar deze konden niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van het hof. De Hoge Raad motiveerde dit niet nader omdat de klachten niet relevant waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 RO Pro.

Wel constateerde de Hoge Raad een overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure van maximaal zes maanden. Voor de naheffingsaanslag en heffingsrente leidde dit niet tot vergoeding omdat belanghebbende dit niet had verzocht. Voor de boetebeschikking, die meer dan € 1.000 bedroeg, werd de boete verminderd met 5%, wat resulteerde in een nieuwe boete van € 3.447.

De Hoge Raad veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten en sprak het arrest uit op 14 april 2023, waarbij het hofarrest en eerdere uitspraken werden vernietigd voor zover zij de boete betroffen.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en vermindert de boete met 5% wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer21/00779
Datum14 april 2023
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 9 februari 2021, nr. 19/01288 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (nr. LEE 18/3925) betreffende een aan belanghebbende over de periode 1 januari 2009 tot en met 31 december 2009 opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting, de daarbij gegeven boetebeschikking en de daarbij gegeven beschikking heffingsrente.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door B.F.M. de Koning, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure

3.1
In deze zaak is beroep in cassatie ingesteld op 24 februari 2021. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, levert wat de cassatieprocedure betreft een overschrijding op van de redelijke termijn met niet meer dan zes maanden.
3.2
Wat betreft de naheffingsaanslag en de beschikking inzake heffingsrente leidt dit niet tot toekenning van een vergoeding voor immateriële schade, omdat belanghebbende daarom niet heeft verzocht.
3.3
Wat betreft de boetebeschikking geldt het volgende. De boete beloopt meer dan € 1.000. De Hoge Raad ziet om die reden aanleiding om aan de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase gevolgen te verbinden en zal de boete verminderen met 5 procent [2] tot € 3.447.

4.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie ongegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, die van de Rechtbank en die van de Inspecteur, maar uitsluitend voor zover deze betrekking hebben op de boete, en
- vermindert de boete tot € 3.447.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, M.W.C. Feteris, E.F. Faase en J.A.R. van Eijsden, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2023.

Voetnoten

2.Vgl. HR 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0191, rechtsoverweging 4.2.3.