Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
11 april 2023.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 11 april 2023 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 28 juni 2021. De zaak betreft een 28-jarige verdachte die beschuldigd werd van ontucht met een 15-jarig meisje, in strijd met artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht. De verdachte heeft cassatie ingesteld tegen de uitspraak van het hof, waarbij hij zich beriep op verschillende cassatiemiddelen. De verdediging, vertegenwoordigd door de advocaten R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, stelde dat er onvoldoende steunbewijs zou zijn voor de verklaring van de aangeefster. Dit betreft de bewijsklacht en de vraag of de verklaringen van de aangeefster voldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal, zoals vereist door artikel 342.2 van het Wetboek van Strafvordering.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld en geconcludeerd dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak. De Hoge Raad heeft geen verdere motivering gegeven, aangezien het niet nodig was om vragen te beantwoorden die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht, zoals vermeld in artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie. Uiteindelijk heeft de Hoge Raad het beroep verworpen, waarmee de uitspraak van het gerechtshof in stand blijft.