Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
11 april 2023.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van de betrokkene tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 30 april 2021, waarin een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (w.v.v.) uit verduistering werd behandeld.
De betrokkene stelde onder meer dat bepaalde maandelijkse vergoedingen, telefoonkosten en een schikking met de curator in mindering gebracht moesten worden op de vastgestelde w.v.v., hetgeen het hof had afgewezen. Tevens speelde de toepassing van matiging van de betalingsverplichting wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg.
De Hoge Raad heeft de klachten van de betrokkene beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad heeft geen nadere motivering gegeven, omdat beantwoording van de vragen niet nodig was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Het beroep is derhalve verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.