Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
7 maart 2023.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene werd veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie, valsheid in geschrift en medeplegen van witwassen. De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het hofvonnis, maar alleen wat betreft de hoogte van de betalingsverplichting.
De Hoge Raad beoordeelde de ingebrachte cassatiemiddelen en verwierp het eerste middel zonder nadere motivering, omdat dit niet van belang was voor de ontwikkeling van het recht. Het tweede middel, dat betrekking had op de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, werd gegrond verklaard. De stukken waren te laat door het hof ingezonden, en de Hoge Raad deed uitspraak meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep.
Als gevolg hiervan vernietigde de Hoge Raad het hofvonnis uitsluitend wat betreft de hoogte van de betalingsverplichting en verminderde deze van €350.000 naar €345.000. Voor het overige werd het beroep verworpen. De uitspraak werd gedaan door de vice-president J. de Hullu en raadsheren M.J. Borgers en M. Kuijer op 7 maart 2023.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de betalingsverplichting tot €345.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn.