In deze strafzaak werd de verdachte beschuldigd van gewoontewitwassen door middel van het infecteren van computers met malware (TorRAT) om frauduleuze overboekingen via internetbankieren te realiseren. De benadeelde partijen, Coöperatieve Rabobank U.A. en ING Bank Nederland N.V., vorderden vergoeding van de schade die zij leden doordat zij hun klanten schadeloos stelden.
De verdediging betwistte dat de banken rechtstreekse schade hadden geleden en voerde aan dat de compensatie aan klanten niet automatisch betekent dat de banken zelf schade droegen, vooral zonder bewijs van het interne beleid dat dergelijke compensaties verplicht stelde. Het hof oordeelde echter dat de banken voldoende hadden aangetoond dat zij materiële schade hadden geleden tot respectievelijk €134.626,42 en €100.491,94, en dat er een voldoende causaal verband bestond tussen het bewezenverklaarde gewoontewitwassen en deze schade.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof en verwierp het cassatieberoep van de verdachte. De Hoge Raad herhaalde de relevante criteria voor het aannemen van rechtstreekse schade aan benadeelde partijen en oordeelde dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had gehanteerd. Hiermee werd de toewijzing van de schadevergoedingen aan de banken bekrachtigd.
De uitspraak benadrukt het belang van een gedegen bewijsvoering omtrent de aard van de schade en het verband met het strafbare feit, en bevestigt dat banken die hun klanten schadeloos stellen in dergelijke fraudezaken als benadeelde partij recht hebben op vergoeding van de door hen geleden schade.