Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
17 januari 2023.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de verdachte, een rechtspersoon, terecht voor meermalen gepleegde valsheid in geschrift. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden had de verdachte veroordeeld en een geldboete van €400.000 opgelegd. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit arrest, met name gericht op het oordeel van het hof dat zeven facturen valselijk waren opgemaakt.
De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het hofarrest, maar alleen wat betreft de hoogte van de opgelegde straf, met een voorstel tot vermindering van de geldboete naar de gebruikelijke maatstaf. De Hoge Raad oordeelde dat de overige klachten van de verdachte niet tot vernietiging konden leiden en dat het niet nodig was deze inhoudelijk te motiveren.
Vanwege het verstrijken van meer dan twee jaar sinds het instellen van het cassatieberoep, werd de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro overschreden. Dit leidde ertoe dat de Hoge Raad ambtshalve de geldboete verminderde van €400.000 naar €397.500. Het beroep werd voor het overige verworpen, waarmee de veroordeling in stand bleef.
Uitkomst: De geldboete wordt verminderd van €400.000 naar €397.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn; het beroep wordt verder verworpen.