ECLI:NL:HR:2023:18

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 januari 2023
Publicatiedatum
10 januari 2023
Zaaknummer
21/00951
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13.1 WWMArt. 26.1 WWMArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 5.2 Wet ROArt. 6.2 Wet RO
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep inzake voorhanden hebben oefenwapens en bewijsvoering

In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor het voorhanden hebben van oefen antipersoneelsmijnen, handgranaten, oefengeweergranaten en een oefen break up granaat, in strijd met de Wet wapens en munitie (WWM). Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch had de verdachte veroordeeld op basis van fotomateriaal en deskundigenverklaringen.

In cassatie werden diverse klachten ingebracht, waaronder de afwijzing van het verhoor van een ter terechtzitting verschenen deskundige, de benoeming van andere deskundigen, de categorisering van de wapens en de vraag of het hof op basis van het fotomateriaal tot bewezenverklaring kon komen. Tevens werd een beroep gedaan op afwezigheid van alle schuld wegens dwaling over de wederrechtelijkheid van het bewezenverklaarde.

De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet tot vernietiging van het arrest konden leiden en dat het niet nodig was om de motivering nader toe te lichten, aangezien de vragen niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Ook een aangevoerde onvolkomenheid bij de beëdiging van raadsheren werd niet verder besproken, gelet op een eerder arrest.

Het cassatieberoep werd derhalve verworpen en het arrest van het hof bleef in stand.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling van de verdachte voor het voorhanden hebben van oefenwapens.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer21/00951
Datum10 januari 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 23 februari 2021, nummer 20-000862-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft S.E. de Vries-van der Veldt, advocaat te Hoofddorp, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De raadsvrouw heeft – na het verstrijken van de in artikel 437 lid 2 Sv Pro bedoelde termijn – bij aanvullende schriftuur nog aan de orde gesteld dat bij de beëdiging van één of meerdere van de raadsheren die de bestreden uitspraak hebben gewezen, zich een onvolkomenheid heeft voorgedaan. Gelet op het arrest dat de Hoge Raad op 21 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1438, heeft gewezen, behoeft dat geen verdere bespreking.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsvrouw van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren J.C.A.M. Claassens en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
10 januari 2023.