ECLI:NL:HR:2023:169

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 februari 2023
Publicatiedatum
7 februari 2023
Zaaknummer
21/02241
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 8.5 WVW 1994Art. 5.2 Wet ROArt. 6.2 Wet ROArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
6 uitgaand · 13 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt overschrijding redelijke termijn in hoger beroep zonder verdere gevolgen

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch inzake rijden onder invloed van alcohol, cannabis en cocaïne. De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld tot een taakstraf van 40 uur en een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor zes maanden.

De raadsman van de verdachte stelde dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro in hoger beroep was overschreden, maar het hof had hierover geen gemotiveerde beslissing genomen. De Hoge Raad stelt dat het hof dit wel had moeten doen en neemt de zaak zelf in behandeling.

De Hoge Raad concludeert dat de redelijke termijn met ruim twee maanden is overschreden. Gezien de lichte strafmaatregel ziet de Hoge Raad geen aanleiding om aan deze overschrijding een ander rechtsgevolg te verbinden en verwerpt het beroep.

Daarnaast is een klacht over een onvolkomenheid bij de beëdiging van een raadsheer verworpen op basis van een eerder arrest van de Hoge Raad.

Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en is uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep ondanks overschrijding van de redelijke termijn en bevestigt de opgelegde taakstraf en ontzegging rijbevoegdheid.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer21/02241
Datum7 februari 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 17 mei 2021, nummer 20-000569-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft H.M.W. Daamen, advocaat te Maastricht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De raadsman heeft – na het verstrijken van de in artikel 437 lid 2 Sv Pro bedoelde termijn – bij aanvullende schriftuur nog aan de orde gesteld dat bij de beëdiging van de raadsheer die de bestreden uitspraak heeft gewezen, zich een onvolkomenheid heeft voorgedaan. Gelet op het arrest dat de Hoge Raad op 21 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1438, heeft gewezen, behoeft dat geen verdere bespreking.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof niet heeft beslist op het beroep op overschrijding van de redelijke termijn dat namens de verdachte is gedaan.
3.2.1
Bij de bespreking van de persoonlijke omstandigheden heeft de raadsman van de verdachte volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep daar onder meer het volgende aangevoerd:
“Ik meen dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro in hoger beroep is geschonden.”
3.2.2
Verder heeft de raadsman van de verdachte volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep daar het woord gevoerd overeenkomstig de pleitnota die aan het proces-verbaal is gehecht. Deze pleitnota houdt onder meer in:
“Subsidiair: straftoemeting
14. Er is sprake van schending van de redelijke termijn in hoger beroep (art. 6 EVRM Pro).”
3.3
Gelet op wat de raadsman heeft aangevoerd over de overschrijding van de redelijke termijn, had het hof hierover een gemotiveerde beslissing moeten nemen. Omdat zo’n beslissing in de uitspraak van het hof ontbreekt, is het cassatiemiddel terecht voorgesteld.
3.4
De Hoge Raad zal de zaak zelf afdoen. In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden bij de behandeling van de zaak in hoger beroep met ruim twee maanden is overschreden. In het licht van de opgelegde taakstraf van 40 uur en de geheel voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat bij de berechting van de zaak in hoger beroep de redelijke termijn is overschreden enig ander rechtsgevolg te verbinden. De Hoge Raad zal daarom met dat oordeel volstaan.

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren J.C.A.M. Claassens en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
7 februari 2023.