De zaak betreft een geschil over het toepasselijke recht op het huwelijksvermogensregime tussen een man en vrouw die in 2004 in de toenmalige Confederatie Servië en Montenegro zijn gehuwd. De rechtbank had Nederlands recht als toepasselijk geoordeeld, terwijl het hof in hoger beroep oordeelde dat de huwelijkse voorwaarden naar de vorm rechtsgeldig waren volgens het Montenegrijnse recht van 2004 en dat deze voorwaarden hun werking behouden ongeacht het toepasselijke materiële recht.
De man stelde dat het Montenegrijnse recht van toepassing was, onder meer omdat partijen bij huwelijkse voorwaarden een rechtskeuze zouden hebben gemaakt. Het hof oordeelde dat de voorwaarden naar de vorm geldig waren, maar dat er geen ondubbelzinnige rechtskeuze was gemaakt. De Hoge Raad stelt echter vast dat het hof onbegrijpelijk heeft geoordeeld over de rechtsgeldigheid van de huwelijkse voorwaarden volgens het Montenegrijnse recht, omdat de motivering slechts steunt op een aantekening die juist aangeeft dat in 2004 een notariële akte vereist was.
De Hoge Raad vernietigt daarom de beschikking van het hof en verwijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling. Het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep van de man wordt verworpen. Deze uitspraak verduidelijkt de toepassing van het Haags Huwelijksvermogensverdrag en de vereisten voor rechtsgeldigheid van huwelijkse voorwaarden onder buitenlands recht.