Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
7 november 2023.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 6 september 2022, waarin de verdachte werd veroordeeld voor poging tot doodslag door in 2021 in Amsterdam een ander met een mes in de hals te snijden na een ruzie over een basepijp.
De verdachte stelde zich in cassatie op het standpunt dat het arrest van het hof onjuist was, en zijn advocaat diende een schriftuur in. De procureur-generaal bij de Hoge Raad kreeg de gelegenheid een advies uit te brengen, maar gaf geen schriftelijk standpunt.
De Hoge Raad oordeelde dat het cassatieberoep duidelijk niet kon slagen en maakte gebruik van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren.
Het arrest is gewezen door vice-president M.J. Borgers als voorzitter en raadsheren Y. Buruma en A.L.J. van Strien, en uitgesproken op 7 november 2023.
De beslissing betekent dat het arrest van het gerechtshof in stand blijft en het cassatieberoep van de verdachte niet wordt behandeld op de inhoud.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard, waardoor het arrest van het gerechtshof in stand blijft.