ECLI:NL:HR:2023:1402

Hoge Raad

Datum uitspraak
6 oktober 2023
Publicatiedatum
5 oktober 2023
Zaaknummer
22/01546
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen

Belanghebbende, een besloten vennootschap, was geconfronteerd met diverse naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen door de Minister van Financiën van Curaçao over de jaren 2012 tot en met 2015, betreffende winstbelasting, omzetbelasting, loonbelasting en premies. Na een uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, werd in hoger beroep door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba het oordeel bevestigd.

Belanghebbende stelde beroep in cassatie in bij de Hoge Raad tegen deze uitspraak. De Hoge Raad heeft de ingediende klachten beoordeeld maar oordeelde dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. Het hof had de zaak zorgvuldig behandeld en beantwoording van de cassatieklachten was niet noodzakelijk voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.

De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond. Hiermee blijft de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie ongewijzigd van kracht.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het arrest van het Hof blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer22/01546
Datum6 oktober 2023
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
de MINISTER VAN FINANCIËN VAN CURAÇAO
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 22 februari 2022, nrs. CUR2021H00142 tot en met CUR2021H00164 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (nrs. CUR202003359 tot en met CUR202003366 en CUR202003381 tot en met CUR202003395) betreffende aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslagen in de winstbelasting over de jaren 2012 tot en met 2014, aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslagen in de omzetbelasting over de jaren 2013 tot en met 2015, aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslagen in de loonbelasting, premies AOV/AWW en premie AVBZ over het jaar 2012, aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslagen in de loonbelasting, premies AOV/AWW, premie AVBZ en premie BVZ over de jaren 2013 tot en met 2015, en de bij alle naheffingsaanslagen gegeven boetebeschikkingen.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.

2.Beoordeling van de klachten

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.F. Faase en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2023.