ECLI:NL:HR:2023:1400

Hoge Raad

Datum uitspraak
6 oktober 2023
Publicatiedatum
5 oktober 2023
Zaaknummer
20/03618
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontvankelijkheid van het beroep in cassatie en overschrijding van de redelijke termijn in belastingzaken

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 6 oktober 2023 uitspraak gedaan in het cassatieberoep van [X] B.V. tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 29 september 2020. Het beroep in cassatie was ingesteld tegen een eerdere uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 28 september 2018, die betrekking had op een naheffingsaanslag in de omzetbelasting en een daarbij opgelegde boete voor de periode van 27 maart 2013 tot en met 21 december 2014. De Hoge Raad heeft allereerst de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie beoordeeld. Belanghebbende had een beroep gedaan op betalingsonmacht met betrekking tot het griffierecht, maar heeft deze onmacht niet aannemelijk gemaakt. Ondanks herhaalde aanmaningen is het griffierecht niet voldaan, waardoor het beroep in cassatie niet-ontvankelijk werd verklaard op basis van artikel 8:41, lid 6, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Daarnaast heeft de Hoge Raad de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure beoordeeld. Het beroep in cassatie was ingesteld op 23 november 2020, en de Hoge Raad constateerde dat er meer dan zes maanden maar minder dan twaalf maanden was verstreken sinds de indiening van het beroep. Aangezien de opgelegde boete door de Rechtbank was verminderd tot € 3.103, en deze meer dan € 1.000 bedroeg, heeft de Hoge Raad besloten om de boete verder te verminderen met 10 procent tot € 2.792 als gevolg van de overschrijding van de redelijke termijn.

De Hoge Raad heeft in zijn beslissing het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard, de eerdere uitspraken van het Hof en de Rechtbank vernietigd voor zover deze betrekking hebben op de boete, en de boete verminderd tot € 2.792. Dit arrest is gewezen door vice-president M.E. van Hilten en de raadsheren E.N. Punt en P.A.G.M. Cools, en openbaar uitgesproken op 6 oktober 2023.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer20/03618
Datum6 oktober 2023
ARREST
op het door [X] B.V. (hierna: belanghebbende) ingestelde beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 29 september 2020, nr. 18/01044 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 28 september 2018, nr. AWB 16/02620, betreffende een aan belanghebbende over de periode 27 maart 2013 tot en met 21 december 2014 opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting en de daarbij gegeven boetebeschikking.

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

1.1
Belanghebbende heeft ter zake van betaling van het verschuldigde griffierecht een beroep op betalingsonmacht gedaan. Belanghebbende is in de gelegenheid gesteld de betalingsonmacht te onderbouwen, maar heeft de betalingsonmacht niet aannemelijk gemaakt. Bij brief van 20 juni 2023 is dit aan belanghebbende meegedeeld. Daarbij is meegedeeld dat daarom niet wordt afgezien van het heffen van griffierecht. Tevens is daarin meegedeeld dat bij niet-tijdige betaling van het griffierecht het beroep in cassatie niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
1.2
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van eveneens 20 juni 2023 opnieuw gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en voor de betaling daarvan een termijn van vier weken gesteld. Deze brief is wegens onbestelbaarheid teruggezonden aan de Hoge Raad, waarna adresverificatie heeft plaatsgevonden en het stuk bij gewone brief is verzonden naar het adres van belanghebbende. Het griffierecht is niet voldaan.
1.3
De griffier heeft op 14 augustus 2023 een bericht in het digitale dossier van belanghebbende geplaatst waarbij belanghebbende in de gelegenheid is gesteld mee te delen waarom het griffierecht niet is betaald. Van de plaatsing van het hiervoor vermelde bericht in dit digitale dossier is, eveneens op 14 augustus 2023, een kennisgeving verzonden naar het door belanghebbende voor dit doel opgegeven e-mailadres. Op grond hiervan neemt de Hoge Raad aan dat belanghebbende dit bericht heeft ontvangen en wel, gelet op artikel 8:36c, lid 2, Awb, op 14 augustus 2023. Belanghebbende heeft van de hiervoor bedoelde gelegenheid geen gebruik gemaakt.
1.4
Het beroep in cassatie moet daarom op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb niet-ontvankelijk worden verklaard.

2.Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure

2.1
In deze zaak is beroep in cassatie ingesteld op 23 november 2020. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, levert wat de cassatieprocedure betreft een overschrijding op van de redelijke termijn met meer dan zes maanden maar minder dan twaalf maanden.
2.2
De Inspecteur heeft aan belanghebbende een boete opgelegd, die door de Rechtbank is verminderd tot € 3.103. Aangezien de aldus verminderde boete meer beloopt dan € 1.000, zal de Hoge Raad aan de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase gevolgen verbinden en de boete verder verminderen met 10 procent tot € 2.792. [2]

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, die van de Rechtbank en die van de Inspecteur, maar uitsluitend voor zover deze betrekking hebben op de boete, en
- vermindert de boete tot € 2.792.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2023.

Voetnoten

2.Vgl. HR 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0191, rechtsoverweging 4.2.3.