ECLI:NL:HR:2023:116

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 januari 2023
Publicatiedatum
27 januari 2023
Zaaknummer
22/02569
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake legesheffing gemeente Rotterdam

Belanghebbende, een besloten vennootschap, maakte beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag betreffende de geheven leges door het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Rotterdam. Het geschil betrof de rechtmatigheid van deze legesheffing.

De Hoge Raad oordeelde dat het ingediende beroepschrift in cassatie aanvankelijk niet voldeed aan de vereisten van artikel 6:5, lid 1, letter d, van de Algemene wet bestuursrecht, maar dat dit gebrek later was hersteld. Desondanks werden nieuwe gronden die na voltooiing van het beroepschrift werden ingediend niet in behandeling genomen.

Na beoordeling van de klachten over het hofarrest concludeerde de Hoge Raad dat deze niet tot vernietiging van de uitspraak konden leiden. De Hoge Raad motiveerde dit oordeel niet, omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.

De Hoge Raad wees het beroep in cassatie af en zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen. Het arrest werd uitgesproken op 27 januari 2023 door raadsheren Wortel, Cools en Van der Voort Maarschalk.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en bevestigt daarmee de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer22/02569
Datum27 januari 2023
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE ROTTERDAM
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 14 juni 2022, nr. BK-21/00697 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (nr. ROT 20/2778) betreffende van belanghebbende geheven leges.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door G. van der Linden, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
Belanghebbende heeft op 13 september 2022 een nader geschrift ingediend dat een tweede cassatiemiddel bevat. Op dit stuk slaat de Hoge Raad geen acht vanwege het volgende. Belanghebbende heeft op 11 juli 2022 tijdig een beroepschrift in cassatie ingediend dat niet de in artikel 6:5, lid 1, letter d, Awb bedoelde gronden bevat. Dit gebrek heeft zij hersteld door op 15 augustus 2022 gronden in te dienen. Daarmee was de indiening van het beroepschrift voltooid en bestond geen ruimte meer voor het indienen van nieuwe gronden.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, vertegenwoordigd door [P], (hierna: het College) heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Het College heeft een conclusie van dupliek ingediend.

2.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren P.A.G.M. Cools en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier S. Joosten, en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2023.