Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
26 september 2023.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond verdachte terecht voor medeplegen van het opzettelijk afleveren en het opzettelijk aanwezig hebben van 18 respectievelijk 11 kilogram cocaïne, in strijd met de Opiumwet. Het gerechtshof Amsterdam had verdachte veroordeeld. In cassatie stelde verdachte een bewijsklacht in over het opzet, met name of het hof terecht had geoordeeld dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de cocaïne in de rolkoffers.
De Hoge Raad heeft de klachten van verdachte beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad vond het niet nodig om de motivering te geven, omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
De advocaat-generaal had geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep en de raadsman van verdachte had hier schriftelijk op gereageerd. Uiteindelijk heeft de Hoge Raad het beroep verworpen en het arrest van het hof bevestigd.
Het arrest is gewezen door de vice-president van den Brink als voorzitter en de raadsheren van Strien en Kuijer, en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 26 september 2023.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling van verdachte voor medeplegen van het afleveren en aanwezig hebben van cocaïne.