Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
per direct. Op grond van artikel 12 sub b van Pro de huurovereenkomst is cliënte tot deze onmiddellijke ontbinding gerechtigd.
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
7 juli 2023.
Hoge Raad
Beachhotel en Vastgoed sloten in juni 2018 een huurovereenkomst voor een hotel in Cadzand-Bad. In de overeenkomst waren garanties opgenomen over onder meer brandveiligheid en het functioneren van apparatuur, met een beding dat bij schending van deze garanties de huurder de overeenkomst per direct mocht ontbinden en boetes kon vorderen.
Beachhotel stelde Vastgoed aansprakelijk wegens meerdere tekortkomingen en ontbond de overeenkomst per 25 oktober 2018. Vastgoed betwistte de rechtmatigheid van deze ontbinding en vorderde schadevergoeding wegens onrechtmatige ontbinding. De kantonrechter oordeelde dat Vastgoed tekort was geschoten maar dat ontbinding niet gerechtvaardigd was. Het hof vernietigde deels het vonnis en veroordeelde Vastgoed tot betaling van boetes, maar bevestigde dat de ontbinding geen rechtsgevolg had.
De Hoge Raad stelt vast dat art. 6:265 lid 1 BW Pro aanvullend recht is en partijen dus mogen afwijken van de tenzij-bepaling. Omdat partijen dit ook deden in de huurovereenkomst, moet de ontbindingsverklaring worden beoordeeld aan de hand van het contractuele beding en niet de wettelijke regeling. De zaak wordt terugverwezen voor nadere uitleg van dit beding en verdere behandeling.
De Hoge Raad veroordeelt Vastgoed tot betaling van de proceskosten en benadrukt dat de beoordeling van de ontbinding niet aan het hof had mogen plaatsvinden op basis van de wettelijke tenzij-bepaling, maar op grond van de contractuele afspraken tussen partijen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar een ander gerechtshof voor nadere behandeling van de afwijkende ontbindingsregeling.