Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
Staat van het voertuig
Artikel 5 – Betaling:
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
7 juli 2023.
Hoge Raad
In deze zaak huurde de verweerder een Lamborghini van eiser voor zijn trouwdag. Tijdens de huurperiode ontstond een defect aan de auto, waarna eiser schadevergoeding vorderde wegens beschadiging. De kantonrechter oordeelde dat eiser het bewijs moest leveren dat verweerder toerekenbaar tekort was geschoten. Het hof vernietigde dit vonnis en wees de schadevergoeding af, oordelend dat eiser niet in zijn bewijs was geslaagd.
De Hoge Raad stelt dat het hof ten onrechte het bewijsvermoeden van art. 7:218 lid 2 BW Pro niet als uitgangspunt heeft genomen. Dit wettelijke vermoeden houdt in dat alle schade aan de verhuurde zaak tijdens de huurperiode wordt vermoed te zijn ontstaan door toerekenbaar tekortschieten van de huurder, tenzij deze het tegendeel bewijst. De Hoge Raad benadrukt dat de zwaarte van het tegenbewijs aan de rechter is en dat twijfel over de oorzaak van de schade kan volstaan.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof en verwijst de zaak naar het gerechtshof Amsterdam voor hernieuwde beoordeling met inachtneming van het bewijsvermoeden. Tevens veroordeelt de Hoge Raad verweerder in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak verwezen voor hernieuwde beoordeling met inachtneming van het bewijsvermoeden uit art. 7:218 lid 2 BW.