Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
4.Beslissing
5 juli 2022.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof veroordeeld voor het opzettelijk uitgeven van een vals bankbiljet van 50 euro bij een oliebollenkraam op een kermis. Het hof baseerde zich op verklaringen van verbalisanten die het biljet voelden en zagen en vermoedden dat het vals was, de constatering van de standhouder met een valsgeldpen en forensisch onderzoek waaruit bleek dat het biljet echtheidskenmerken miste.
De verdachte had het biljet ongeveer 45 minuten eerder verkregen door het omwisselen van meerdere biljetten en wilde er mee betalen bij de kraam. Hij ontkende opzet en stelde niet te weten dat het biljet vals was. Het hof concludeerde dat verdachte dit wel moest hebben geweten, mede gezien de waarnemingen van de verbalisanten en het gebruik van de valsgeldpen door de standhouder.
De Hoge Raad oordeelt echter dat uit de omstandigheden niet zonder meer volgt dat verdachte de valsheid van het biljet moest hebben bemerkt toen hij het uitgaf. De enkele vaststelling dat verbalisanten vermoedden dat het biljet vals was, betekent niet dat verdachte dat vermoeden ook had. De standhouder ontdekte de valsheid pas na controle met een hulpmiddel, wat niet betekent dat verdachte dit ook had moeten weten.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof en wijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling. De bespreking van het eerste cassatiemiddel is achterwege gelaten wegens de beslissing op het tweede cassatiemiddel.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling wegens onvoldoende bewijs voor opzet.