Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
4.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
5.Beslissing
28 juni 2022.
Hoge Raad
De zaak betreft het rijden met een motorrijtuig voorzien van valse Belgische kentekenplaten en het besturen met een rijbewijs waarvan de geldigheidsduur was verstreken. De verdachte werd door het hof veroordeeld voor het rijden met een motorrijtuig waarop een teken was aangebracht dat door kon gaan voor een buitenlands kenteken, terwijl hij wist dat dit niet het juiste kenteken was. Het hof oordeelde dat het algemeen bekend was dat Belgische kentekens persoonsgebonden zijn en niet voertuiggebonden, waardoor de verdachte niet bevoegd was het voertuig met die kentekenplaten te besturen.
De Hoge Raad oordeelde dat het cassatieberoep niet ontvankelijk was voor het onderdeel dat betrekking had op de overtreding van het rijden met een verlopen rijbewijs, omdat tegen die beslissing geen cassatieberoep openstaat. Voor het overige werd het beroep verworpen. De Hoge Raad bevestigde dat de artikelen 41.1.d en 41.1.f WVW 1994 elkaar niet uitsluiten en dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de Belgische kentekenregelgeving een feit van algemene bekendheid is, waardoor bewijs daarvan niet nodig was.
De Hoge Raad benadrukte dat feiten van algemene bekendheid geen bewijs behoeven en dat het hof niet verplicht is dergelijke feiten tijdens de terechtzitting te bespreken, tenzij twijfel bestaat over de bekendheid ervan. De klachten van de verdachte werden niet gegrond verklaard, en het arrest van het hof bleef in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk voor het rijden met een verlopen rijbewijs en verworpen voor het rijden met valse Belgische kentekenplaten.