ECLI:NL:HR:2022:956

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 juni 2022
Publicatiedatum
24 juni 2022
Zaaknummer
20/03935
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 107 lid 1 WVW 1994Art. 408 lid 1 sub a SvArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep in zaak rijden zonder rijbewijs wegens te laat ingesteld hoger beroep

In deze strafzaak werd verdachte in hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat het hoger beroep te laat was ingesteld, conform artikel 408 lid 1 sub a Sv Pro. De zaak betrof rijden zonder rijbewijs, een overtreding van artikel 107 lid 1 van Pro de Wegenverkeerswet 1994. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van verdachte beoordeeld nadat het gerechtshof Den Haag het hoger beroep had afgewezen op ontvankelijkheidsgrond.

De advocaat-generaal adviseerde aanvankelijk tot vernietiging en terugwijzing van de zaak, zodat het hof het hoger beroep alsnog inhoudelijk kon behandelen. Bij een aanvullende conclusie wijzigde de advocaat-generaal zijn standpunt en adviseerde tot verwerping van het cassatieberoep.

De Hoge Raad heeft de klachten van verdachte onderzocht maar geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. De Hoge Raad heeft geen nadere motivering gegeven omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk was voor de rechtsontwikkeling of eenheid van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren, en het beroep is verworpen. Daarmee blijft het hofarrest in stand dat het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaarde wegens overschrijding van de termijn.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hofarrest dat het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaarde blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer20/03935
Datum28 juni 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 20 januari 2020, nummer 22-004493-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft aanvankelijk geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan. Bij aanvullende conclusie heeft hij alsnog geconcludeerd tot verwerping van het beroep

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
28 juni 2022.