ECLI:NL:HR:2022:93
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond in kolenbelastingzaak
Belanghebbende, een vennootschap, had bezwaar gemaakt tegen de door haar op aangifte betaalde kolenbelasting over de tijdvakken oktober en november 2015. Na een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant werd hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch. Dit hof bevestigde de eerdere uitspraak.
Belanghebbende stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad en voerde meerdere klachten aan tegen het arrest van het hof. De Staatssecretaris van Financiën trad als verweerder op. De Hoge Raad heeft de klachten beoordeeld maar oordeelde dat deze niet konden leiden tot vernietiging van het arrest van het hof.
De Hoge Raad motiveerde zijn oordeel niet inhoudelijk omdat de klachten geen vragen opriepen die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Het arrest werd gewezen door de vice-president van de Hoge Raad als voorzitter en twee raadsheren, en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2022.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en het arrest van het hof bevestigd.