Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
21 juni 2022.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de vraag centraal of de door verdachte gepleegde handelingen konden worden aangemerkt als ontuchtige handelingen in de zin van artikel 246 Sr Pro en of verdachte opzet had op het ontuchtige karakter van zijn gedragingen. Daarnaast werd onderzocht of uit de bewijsvoering kon worden afgeleid dat sprake was van dwang, geweld en andere feitelijkheden.
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden had verdachte veroordeeld, waarna deze cassatieberoep instelde. De advocaat-generaal adviseerde het beroep te verwerpen. De Hoge Raad heeft de klachten van verdachte beoordeeld maar geoordeeld dat deze niet konden leiden tot vernietiging van het arrest van het hof.
De Hoge Raad heeft geen nadere motivering gegeven omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 Wet Pro op de rechterlijke organisatie. Het beroep is derhalve verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.