Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2022:81

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 januari 2022
Publicatiedatum
27 januari 2022
Zaaknummer
20/02642
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:240 BWArt. 6:96 BWArt. 7:959 lid 1 BWArt. 7:963 lid 6 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onredelijk bezwarendverklaring bedingen vergoeding kosten contra-expert in schadeverzekeringen

Deze zaak betreft een cassatieberoep van Achmea tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin bedingen in haar algemene voorwaarden werden beoordeeld op onredelijk bezwarendheid. De Stichting Ombudsman Schadeverzekeringen Nederland (OSN) vorderde dat de bedingen die de vergoeding van kosten van een door verzekerden ingeschakelde contra-expert beperken tot experts die aan bepaalde kwaliteitseisen voldoen, onredelijk bezwarend worden verklaard jegens consumenten.

Het hof oordeelde dat de dubbele redelijkheidstoets van artikel 7:959 lid 1 BW Pro geldt voor de vergoeding van expertisekosten, ook voor contra-experts. De verzekerde heeft een redelijk belang bij het inschakelen van een eigen expert vanwege de belangenverstrengeling met de verzekeraar. De kwaliteitseisen in de polisvoorwaarden kunnen niet zonder meer de keuzevrijheid van de consument beperken, omdat ook experts die niet aan deze eisen voldoen kwalitatief goed kunnen zijn.

De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat de bedingen in strijd zijn met artikel 7:959 lid 1 BW Pro voor zover zij alleen kosten vergoeden van contra-experts die aan de polisvoorwaarden voldoen. De vrijheid van de consument om een deskundige te kiezen die redelijkerwijs deskundig is, moet worden gerespecteerd. Het beroep van Achmea wordt verworpen en zij wordt in de proceskosten veroordeeld.

Uitkomst: Het cassatieberoep van Achmea wordt verworpen en de bedingen die de vergoeding van kosten van contra-experts beperken tot experts die aan polisvoorwaarden voldoen, zijn onredelijk bezwarend jegens consument-verzekerden.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer20/02642
Datum28 januari 2022
ARREST
In de zaak van
ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,
gevestigd te Apeldoorn,
EISERES tot cassatie,
hierna: Achmea,
advocaten: B.T.M. van der Wiel en T. van Tatenhove,
tegen
STICHTING OMBUDSMAN SCHADEVERZEKERINGEN NEDERLAND,
gevestigd te Hilversum,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: OSN,
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar het arrest in de zaak 200.253.661/01 van het gerechtshof Den Haag van 2 juni 2020.
Achmea heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Tegen OSN is verstek verleend.
De zaak is voor Achmea toegelicht door haar advocaten, en mede door S.H.J. Hogendoorn.
De conclusie van de Advocaat-Generaal T. Hartlief strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaten van Achmea hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Uitgangspunten en feiten

2.1
Deze zaak betreft een vordering van OSN om bedingen in de algemene voorwaarden van Achmea onredelijk bezwarend te verklaren op de voet van art. 6:240 BW Pro.
2.2.
OSN is een stichting die tot doel heeft het behartigen en beschermen van de belangen van natuurlijke en rechtspersonen die een overeenkomst van schadeverzekering zijn aangegaan.
2.3
De bezwaren van OSN zien op door Achmea gebruikte bedingen over de vergoeding van de kosten van een door een verzekerde ingeschakelde contra-expert. Dergelijke bedingen komen voor in diverse schadeverzekeringen van Achmea en door Achmea gevoerde merken. Aan een voorstel van OSN om overleg te plegen heeft Achmea geen gehoor gegeven.
2.4
De bedingen zijn verschillend geformuleerd, maar komen, voor zover relevant voor deze procedure, inhoudelijk overeen. Tot voorbeeld dient de tekst van het beding uit de Centraal Beheer Caravanverzekering (CRV-RV-01-181):

Artikel 8. Welke extra kosten zijn naast de schade verzekerd?
Let op: we betalen deze kosten alleen als deze noodzakelijk zijn door een schade die
verzekerd is.
(…)
Kosten van experts
Alleen voor het vaststellen van de hoogte van de schade.
De kosten van onze expert.
De kosten van de expert van verzekerde tot en met de kosten van onze expert.
Rekent de expert van verzekerde meer? Dan beoordelen wij of die extra kosten redelijk zijn.
Extra kosten die niet redelijk zijn, blijven voor rekening van verzekerde.
De kosten van de 3de expert.
Alle experts zijn ingeschreven in het register van het Nederlands Instituut Van Register Experts (NIVRE)
Of bij een vergelijkbare beroepsorganisatie.
Deze organisatie houdt zich aan de "Gedragscode schade-expertiseorganisaties van het Verbond van Verzekeraars”.
En in de statuten en reglementen van deze organisatie:
Staat een duidelijk klacht- en tuchtprocedure.
Zijn de eisen beschreven voor permanente opleiding van experts.
Voldoet de expert niet aan deze eisen? Dan zijn de kosten niet verzekerd.”
2.5
OSN heeft – voor zover in cassatie van belang – een verklaring voor recht gevorderd dat de bedingen onredelijk bezwarend zijn in de zin van art. 6:240 lid 1 BW Pro in de verhouding van Achmea tot een consument-verzekerde, en een verbod om de bedingen jegens een consument-verzekerde te gebruiken.
2.6
Het hof heeft deze vorderingen – kort gezegd – toegewezen voor zover het gaat om de in de bedingen gestelde eisen aan de contra-expert en aan de organisatie waarbij deze moet zijn aangesloten. Het heeft daaraan het volgende ten grondslag gelegd.
Art. 7:959 lid 1 BW Pro bepaalt dat een verzekeraar de redelijke kosten voor het vaststellen van de schade dient te vergoeden. Of in een concreet geval de kosten van een expert voor vergoeding in aanmerking komen, en zo ja, tot welk bedrag, wordt in alle gevallen bepaald op basis van een dubbele redelijkheidstoets, naar analogie van art. 6:96 BW Pro. Dat houdt in dat zowel het inschakelen van de expert, als de omvang van de kosten van de expert redelijk moet zijn. (rov. 3.5)
Ook de kosten voor een contra-expert komen voor vergoeding door de verzekeraar in aanmerking, mits voldaan is aan de dubbele redelijkheidstoets. Of daaraan is voldaan, hangt af van de omstandigheden van het geval. Het inschakelen van een contra-expert zal vaak redelijk zijn. Immers, tussen verzekeraar en verzekerde bestaat een belangentegenstelling: de verzekeraar zal het schadebedrag zo laag mogelijk willen houden, terwijl de verzekerde belang heeft bij een zo hoog mogelijk schadebedrag. Expertisebureaus werken vaak voor dezelfde verzekeraars en kunnen daarmee organisatorisch verbonden zijn. Dat alles brengt mee dat een verzekerde in het algemeen een redelijk belang heeft bij het inschakelen van een eigen expert en dat de kosten van die expert ingevolge art. 7:959 lid 1 BW Pro voor rekening van de verzekeraar komen, mits de omvang van de kosten redelijk is. Het verweer van Achmea dat de kosten van een contra-expert niet onder art. 7:959 lid 1 BW Pro kunnen vallen, faalt dan ook. (rov. 3.6)
Achmea heeft in de polisvoorwaarden voorgeschreven dat de contra-expert aan bepaalde voorwaarden voldoet. Zij heeft aangevoerd dat deze kwaliteitseisen in het belang van verzekerden zijn en dat daarom het stellen van die eisen gerechtvaardigd is. Kosten die zijn gemaakt voor contra-experts die niet aan de (kwaliteits)eisen voldoen, zijn volgens Achmea geen redelijke kosten in de zin van art. 7:959 lid 1 BW Pro. (rov. 3.7)
Het is in het belang van een verzekerde dat een ingeschakelde contra-expert aan minimum kwaliteitseisen voldoet. De in de polisvoorwaarden omschreven eisen zouden daaraan kunnen bijdragen. Echter, het is niet uitgesloten dat een contra-expert die niet aan de door Achmea gestelde voorwaarden voldoet, toch in staat is een kwalitatief goede contra-expertise uit te voeren. (rov. 3.8)
Een consument heeft in beginsel dan ook de vrijheid zijn eigen deskundige te kiezen, mits die persoon naar objectieve maatstaven redelijkerwijs in staat moet worden geacht een deskundig advies uit te brengen. De redelijke kosten die een dergelijke expert in rekening brengt voor het vaststellen van de schade, behoren op de voet van art. 7:959 lid 1 BW Pro door Achmea te worden vergoed, ook als de expert niet voldoet aan de eisen die in de bedingen worden gesteld. De bedingen zijn dan ook in strijd met art. 7:959 lid 1 BW Pro voor zover daarin is bepaald dat alleen kosten die zijn gemaakt voor contra-experts die aan de (kwaliteits)eisen uit de polisvoorwaarden voldoen, voor vergoeding in aanmerking komen.(rov. 3.9)
Het argument van Achmea dat zij niet ten nadele van consumenten (als bedoeld in art. 7:963 lid 6 BW Pro) is afgeweken van art. 7:959 lid 1 BW Pro, snijdt in zoverre hout, dat juist is dat de kwaliteitseisen in het belang van consumenten kunnen zijn. Wanneer consumenten een expert inschakelen die voldoet aan de in de polisvoorwaarden gestelde eisen, vormt dat tot op zekere hoogte een waarborg dat de expert daadwerkelijk deskundig is. Maar zekerheid geven de eisen uit de polisvoorwaarden niet. Bovendien beperken de eisen de keuzevrijheid van consumenten door niet de kosten te vergoeden van een deskundige contra-expert die niet aan de eisen uit de polisvoorwaarden voldoet. In zoverre wordt in de bedingen dus ten nadele van consumenten afgeweken van art. 7:959 lid 1 BW Pro. (rov. 3.10)

3.Beoordeling van het middel

3.1
Het middel voert diverse klachten aan tegen de wijze waarop het hof toepassing heeft gegeven aan art. 7:959 lid 1 BW Pro.
3.2.1
Art. 7:959 lid 1 BW Pro bepaalt onder meer dat de redelijke kosten gemaakt tot het vaststellen van de schade ten laste van de verzekeraar komen, ook al zou daardoor, tezamen met de vergoeding van de schade, de verzekerde som worden overschreden. Het gaat daarbij om het vaststellen van de omvang van de door de verzekering gedekte schade. De verzekerde zal die omvang moeten aantonen, en kan de kosten daarvan voor rekening van de verzekeraar brengen, zodat hij ook in dit opzicht schadeloos wordt gesteld. [1] Volgens art. 7:963 lid 6 BW Pro kan van deze bepaling niet ten nadele van de verzekeringnemer of de verzekerde worden afgeweken voor zover de daarin bedoelde kosten niet het bedrag overschrijden dat gelijk is aan de verzekerde som en de verzekeringnemer een natuurlijk persoon is die de verzekering anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf heeft gesloten.
3.2.2
Uit de toelichting op art. 7:959 BW Pro blijkt dat in lid 1 aansluiting is gezocht bij (thans) art. 6:96 lid Pro 2, aanhef en onder b, BW. [2] Dit betekent dat de kosten voor het vaststellen van de schade voor rekening van de verzekeraar komen indien is voldaan aan de dubbele redelijkheidstoets: zowel het maken van de kosten als de omvang van de gemaakte kosten moet redelijk zijn.
3.2.3
Ook de kosten van een door de verzekerde voor het vaststellen van de schade ingeschakelde contra-expert komen op grond van art. 7:959 lid 1 BW Pro voor vergoeding in aanmerking indien is voldaan aan de dubbele redelijkheidstoets. De tekst en de strekking van deze bepaling, en de daarop gegeven toelichting, bieden geen steun voor de door Achmea in onderdeel 1 van het middel verdedigde opvatting dat de kosten van contra-expertise alleen voor vergoeding in aanmerking komen indien blijkt dat de verzekeraar de schade te laag heeft vastgesteld.
3.2.4
Een beperking van de mogelijkheid van de verzekerde om voor rekening van de verzekeraar een eigen expert in te schakelen, is in strijd met art. 7:959 lid 1 BW Pro indien die beperking verder gaat dan uit de dubbele redelijkheidstoets volgt. Dat geldt ook indien deze beperking erop is gericht de verzekerde te beschermen door de kwaliteit van de ingeschakelde experts te waarborgen. Indien verzekeraars verzekerden in dit opzicht richting willen geven en zekerheid willen bieden, kunnen zij in de voorwaarden opnemen dat zij vergoeding van expertisekosten niet zullen weigeren op gronden die verband houden met de ingeschakelde expert als de verzekerde een expert heeft ingeschakeld die aan bepaalde voorwaarden voldoet, en dat de vergoeding van de kosten van een expert die niet aan die voorwaarden voldoet ervan afhangt of het inschakelen van die expert in het concrete geval redelijk is.
3.3
Het middel faalt voor zover het uitgaat van een andere rechtsopvatting dan die weergegeven in 3.2.1-3.2.4.
3.4
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO Pro).

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt Achmea in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van OSN begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, als voorzitter, C.E. du Perron, C.H. Sieburgh, H.M. Wattendorff en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op
28 januari 2022.

Voetnoten

1.Ontwerp voor een Nieuw Burgerlijk Wetboek van Prof.Mr. E.M. Meijers (Toelichting, vierde gedeelte, Boek 7), opgesteld onder leiding van F.J. de Jong, ’s-Gravenhage 1972, p. 1182 (toelichting op art. 7.17.2.22 (de voorloper van art. 7:959 BW Pro)).
2.Vgl. Kamerstukken II 1985-1986, 19529, nr. 3, p. 31.