Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
31 mei 2022.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een beschikking van de rechtbank Den Haag over een klaagschrift tegen conservatoir beslag op geldbedragen van de klager. De klager was veroordeeld voor drie gekwalificeerde diefstallen (waarvoor geen geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd) en voor opzetheling (waarvoor wel een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd). De rechter-commissaris verleende machtiging tot conservatoir beslag op basis van artikel 94a lid 2 Sv.
De rechtbank verklaarde het klaagschrift gegrond en oordeelde dat conservatoir beslag niet was toegestaan omdat de ontnemingsvordering uitsluitend gebaseerd was op de diefstallen, niet op de opzetheling. De officier van justitie stelde dat het strafvorderlijk belang zich tegen teruggave verzette omdat het beslag verband hield met een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd.
De Hoge Raad herhaalt dat conservatoir beslag op grond van artikel 94a lid 2 Sv alleen kan worden gelegd indien sprake is van verdenking of veroordeling voor een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Dit betekent echter niet dat de ontnemingsvordering zelf ook uitsluitend op dat misdrijf moet zijn gebaseerd. Nu de klager ook is veroordeeld voor opzetheling, staat het oordeel van de rechtbank dat de ontnemingsvordering uitsluitend op de diefstallen is gebaseerd niet in de weg aan het beslag. De Hoge Raad vernietigt het vonnis en wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking van de rechtbank en wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling van het conservatoir beslag.