Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
31 mei 2022.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene was veroordeeld voor het aanwezig hebben en verkopen van hasj, gewoontewitwassen en het voorhanden hebben van een imitatievuurwapen, munitie en een stroomstootwapen. De ontnemingsvordering werd gebaseerd op de methode van eenvoudige kasopstelling.
Een centraal geschilpunt was of het hof uitgaven van de betrokkene in de periode van 1 januari 2007 tot 1 januari 2008 als wederrechtelijk verkregen voordeel mocht aanmerken, terwijl de betrokkene in een strafzaak voor diezelfde periode was vrijgesproken van witwassen. De betrokkene voerde onder meer aan dat het Hof Europeesrechtelijk onjuist had gehandeld, met name met betrekking tot het arrest Geerings/Nederland van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten niet konden leiden tot vernietiging van de uitspraak van het hof. De Hoge Raad zag geen noodzaak om de motivering van het oordeel te geven, omdat de vragen niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het cassatieberoep werd derhalve verworpen.
De uitspraak werd gedaan door de vice-president van den Brink als voorzitter en de raadsheren Buruma en Caminada, op 31 mei 2022.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de ontnemingsvordering ondanks vrijspraak witwassen.