ECLI:NL:HR:2022:7

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 januari 2022
Publicatiedatum
11 januari 2022
Zaaknummer
20/03534
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287 SrArt. 7.1.a WVW 1994Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
5 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatie in zaak poging tot doodslag in het verkeer

In deze zaak stond de vraag centraal of verdachte, door kort voor het ongeval te remmen, de aanmerkelijke kans op een potentieel dodelijk ongeval bewust heeft aanvaard, hetgeen duidt op voorwaardelijk opzet op de dood. De zaak betreft poging tot doodslag in het verkeer en doorrijden na een ongeval, zoals bedoeld in artikel 287 Sr Pro en artikel 7.1.a WVW 1994.

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch had verdachte eerder veroordeeld. Verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit arrest. De advocaat-generaal adviseerde tot verwerping van het cassatieberoep. De Hoge Raad heeft de klachten van verdachte beoordeeld maar oordeelde dat deze niet tot vernietiging van het hofarrest kunnen leiden.

De Hoge Raad vond geen aanleiding om inhoudelijk op de klachten in te gaan, omdat beantwoording daarvan niet noodzakelijk was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

Daarom werd het cassatieberoep verworpen en bleef het arrest van het gerechtshof in stand. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en is op 25 januari 2022 uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte is verworpen, waardoor de veroordeling voor poging tot doodslag in het verkeer en doorrijden na ongeval in stand blijft.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer20/03534
Datum25 januari 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 29 oktober 2020, nummer 20-003587-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft H.M.W. Daamen, advocaat te Maastricht, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
25 januari 2022.