ECLI:NL:HR:2022:510

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 april 2022
Publicatiedatum
4 april 2022
Zaaknummer
21/02785
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over oplichting door zich voor te doen als advocaat en bankmedewerker met schadevergoedingsmaatregelen

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 5 april 2022 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verdachte, geboren in 1973, werd beschuldigd van meermalen oplichting door zich voor te doen als advocaat en medewerker van een bank. De feiten vonden plaats tussen 9 september 2013 en 10 juni 2017, waarbij de verdachte aanzienlijke bedragen van haar ex-schoonouders heeft afhandig gemaakt door middel van list en bedrog. De verdachte heeft zich voorgedaan als een betrouwbare persoon, waardoor de slachtoffers hun bankgegevens en geld aan haar hebben toevertrouwd. De Hoge Raad beoordeelde de strafmotivering van het hof, dat de verdachte een gevangenisstraf van 16 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, en een geldboete van € 2.000 had opgelegd. De Hoge Raad oordeelde dat het hof bij de strafmotivering rekening had gehouden met eerdere veroordelingen van de verdachte, maar dat de aangevochten passage in de strafmotivering van ondergeschikt belang was. Daarnaast werd de duur van de gijzeling die was opgelegd als schadevergoedingsmaatregel beoordeeld. De Hoge Raad heeft de uitspraak van het hof vernietigd voor wat betreft de duur van de gijzeling, omdat deze de wettelijke maximumduur overschreed. De Hoge Raad heeft zelf de duur van de gijzeling vastgesteld op 180 dagen voor beide slachtoffers. Het beroep werd voor het overige verworpen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer21/02785
Datum5 april 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 29 juni 2021, nummer 21-000405-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat te Arnhem, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, met uitzondering van de aan de verdachte opgelegde schadevergoedingsmaatregelen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] en het slachtoffer [slachtoffer 2], tot bepaling dat ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregelen telkens met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling voor de duur van 180 dagen kan worden toegepast, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak ten aanzien van de strafoplegging, met uitzondering van de aan de verdachte opgelegde schadevergoedingsmaatregelen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] en het slachtoffer [slachtoffer 2], opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1.
Het middel klaagt over de strafmotivering, in het bijzonder over de daarin voorkomende zin dat het plegen van een telecomfraude waarvoor de verdachte ten tijde van het plegen van de bewezenverklaarde feiten nog niet onherroepelijk was veroordeeld “verdachte er kennelijk niet van weerhouden [heeft] door te gaan met het plegen van de thans voorliggende bewezenverklaarde feiten”.
2.2.1.
Het hof heeft de verdachte voor een groot aantal feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf van 16 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en tot een geldboete van € 2.000, subsidiair 30 dagen hechtenis.
2.2.2
De strafoplegging is door het hof als volgt gemotiveerd:
“De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden. Verdachte heeft haar toenmalige “schoonouders” (namelijk de moeder en de stiefvader van haar toenmalige partner) geld en goederen afhandig gemaakt, onder andere door zich voor te doen als advocaat en als medewerker van de ABN-AMRO bank.
Door list en bedrog hebben aangevers een totaalbedrag van ruim € 150.000,- naar diverse rekeningnummers overgemaakt, waarna verdachte uiteindelijk over dat geld kon beschikken.
Verdachte heeft het AOW-pensioen van aangevers naar een bankrekening laten overmaken waarover zijzelf vervolgens kon beschikken.
Om de afgifte van geldbedragen te bewerkstelligen, heeft verdachte ook diverse documenten vervalst waaronder een rechtbankvonnis.
Daarmee heeft verdachte het vertrouwen geschaad dat in het maatschappelijk verkeer in dat soort documenten moet kunnen worden gesteld.
Met raffinement en volgens eenzelfde patroon heeft verdachte de oplichtingen uitgevoerd. Door zich voor te doen als advocaat heeft zij het vertrouwen van aangevers gewonnen en hen zover gekregen dat zij hun bankpassen met pincodes en DigiD-code hebben afgegeven. Net als de rechtbank rekent het hof verdachte zwaar aan dat zij zich uitsluitend uit geldelijk gewin heeft schuldig gemaakt aan deze oplichtingen.
Daarnaast heeft verdachte ook persoonlijke eigendommen, te weten juwelen, van aangevers verduisterd. Verder heeft verdachte valsheid in geschrifte gepleegd door twee overeenkomsten te ondertekenen in de naam van haar toenmalige schoonvader en door zijn handtekening op die overeenkomsten te vervalsen.
Verdachte heeft misbruik gemaakt van diens gegevens door op zijn naam contracten af te sluiten. Het geld is door verdachte opgemaakt, waarbij in ieder geval een groot deel van het geld is besteed aan (luxe) goederen en een vakantie.
Verdachte heeft aangevers fors financieel benadeeld en het voor een normaal maatschappelijk en handelsverkeer benodigde vertrouwen schade toegebracht. Door toedoen van verdachte zijn aangevers al het spaargeld kwijt dat zij tijdens hun werkzame leven hadden gespaard. Zij zijn hierdoor berooid en met schulden achtergebleven. Uit hun schriftelijke slachtofferverklaring blijkt bovendien dat aangevers door het optreden van verdachte tot op de dag van vandaag ook ernstige psychische en fysieke klachten ondervinden. Het hof rekent dit verdachte zeer aan, temeer ook omdat verdachte niet heeft blijk gegeven van oprechte spijt over wat zij in het leven van aangevers heeft aangericht.
Bij de strafoplegging houdt het hof verder rekening met het psychologisch rapport, Pro Justitia van 22 maart 2018 opgemaakt door [betrokkene 1], GZ-psycholoog. Uit dit onderzoek komt onder meer naar voren dat bij verdachte sprake is van zwakbegaafdheid en vermijdende en afhankelijke trekken in de persoonlijkheid. Daarnaast kampt ze met chronische psychosociale problemen zoals werkloosheid, dakloosheid en financiële schulden. Deze problematiek beïnvloedde de gedragskeuzes en gedragingen deels ten tijde van het tenlastegelegde. Haar oordeelsvorming is als gevolg hiervan in lichte mate vertroebeld geraakt. Er kan gesteld worden dat deze problematiek van enige invloed is geweest op verdachtes handelen. De tenlastegelegde feiten kunnen verdachte in (licht) verminderde mate worden toegerekend. Het hof neemt, evenals de rechtbank, deze conclusie over.
[betrokkene 1] merkt daarbij op dat de geconstateerde stoornissen verdachte niet zodanig hebben beheerst dat ze geen gedragskeuzes meer had. Verdachte is zich te allen tijde bewust geweest dat haar strafbare handelen ‘niet mocht’ en dat ze alternatieven had om hulp te vragen. [betrokkene 1] geeft voorts aan dat verdachte gebaat is bij ambulante hulpverlening. Vooral op praktisch gebied behoeft zij begeleiding bij het opzetten en stabiel krijgen van een geschikte woonomgeving, inkomen/dagbesteding en financieel beheer. Een vaste contactpersoon met wie ze regelmatig haar praktische zaken kan bespreken en regelen is daarbij wenselijk. Een advies voor begeleiding of behandeling in een strafrechtelijk kader lijkt thans niet geïndiceerd.
Daarnaast slaat het hof acht op het zich in het dossier bevindende reclasseringsadvies van 24 juni 2019 dat is opgemaakt in het kader van een andere strafzaak tegen verdachte. Uit dit advies komt onder meer naar voren dat sinds eind 2017, eerst op vrijwillige basis en vanaf januari 2018 in het kader van reclasseringstoezicht, een netwerk van hulpverlening rondom verdachte is opgezet. Zij heeft een woning gekregen die voor twee jaar op naam van de instantie Onder de Bomen staat, met als voorwaarde dat zij zich wekelijks laat begeleiden in haar praktische zaken en dat ze haar financiën onderbrengt bij een bewindvoerder. Sinds april 2018 is dit gerealiseerd.
Vanaf juli 2018 volgt verdachte intensief behandeling bij de forensische polikliniek Kairos te Nijmegen. Op eigen initiatief heeft verdachte sinds november 2018 betaald werk gevonden. Ook heeft het hof acht geslagen op het reclasseringsrapport (afloopbericht toezicht) van 23 november 2020, opgemaakt in dezelfde (andere) strafzaak. Uit dit rapport komt onder meer naar voren dat de verdachte de delictanalyse pas na het toezicht heeft afgerond, omdat zij moeite had in te zien dat dit noodzakelijk was om conclusies te trekken over verdere behandeling en risico’s. De bewindvoerder heeft aangegeven de bewindvoering niet te willen voortzetten, omdat verdachte te weinig meewerkt met het geven van openheid. Verdachte lijkt steeds weer uitvluchten te zoeken om informatie achter te houden die de bewindvoerder nodig heeft. Verdachte legt de verantwoordelijkheid steeds weer buiten zichzelf. Verdachte zal zelf initiatief moeten nemen om een andere bewindvoerder te vinden. Voorts heeft verdachte een woning die op haar eigen naam komt te staan. Verdachte heeft haar medewerking aan het toezicht gegeven, maar het recidiverisico blijft onveranderd laag tot middelgroot.
Voorts acht het hof van belang dat uit het afsluitverslag van Onder de Bomen van 31 december 2020 blijkt dat die instantie het uitdrukkelijke advies heeft gegeven om bewindvoering te behouden.
Het hof houdt ook rekening met de persoonlijke omstandigheden zoals die door en namens verdachte ter zitting naar voren zijn gebracht. Verdachte krijgt hulp bij haar problemen en probeert haar leven beter, in ieder geval zonder criminele activiteiten en list en bedrog, in te richten. Verdachte heeft ambulante hulpverlening gehad, wat zijn vruchten heeft afgeworpen. Het recidiverisico wordt laag ingeschat. Verdachte heeft haar zaken inmiddels op orde. Zij heeft een zelfstandige woning, staat onder bewind, wil nog een training sociale vaardigheden volgen, heeft de delictanalyse afgerond en heeft intussen betaald werk.
In het nadeel van verdachte heeft het hof bij de strafoplegging rekening gehouden met het Uittreksel Justitiële Documentatie van 11 mei 2021. Hieruit blijkt dat verdachte is veroordeeld voor ‘telecomfraude’, gepleegd in de periode april 2015 tot en met juni 2016 en daarmee vallend binnen de thans bewezenverklaarde periodes. Hoewel het betreffende arrest pas op 12 juni 2018 onherroepelijk is geworden, heeft het plegen van deze strafbare feiten verdachte er kennelijk niet van weerhouden door te gaan met het plegen van de thans voorliggende bewezenverklaarde feiten. In het voordeel van verdachte houdt het hof rekening met toepassing van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.
Het hof houdt bij de strafoplegging rekening met de redelijke termijn. Als uitgangspunt in een zaak tegen een verdachte die niet is gedetineerd voor het feit waarvoor hij wordt vervolgd, geldt zowel in eerste aanleg als in hoger beroep dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis of eindarrest binnen twee jaren nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Van zulke omstandigheden is hier niet gebleken.
De tenlastegelegde feiten vallen binnen de periode van 9 september 2013 tot en met 10 juni 2017. Verdachte is op 4 december 2017 aangehouden en in verzekering gesteld. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn op deze datum begint. De rechtbank heeft op 13 januari 2020 vonnis gewezen, twee jaar en ruim een maand na het begin van de redelijke termijn. Het hof zal met deze geringe schending rekening houden bij de strafoplegging.
Alles overwegende komt het hof tot een hogere straf dan de rechtbank. Het hof is, gelet op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten, de geraffineerdheid waarmee verdachte te werk is gegaan, de nauwe band met de aangevers en het vertrouwen dat zij in verdachte als vriendin van hun (stief)zoon hebben gesteld, alsmede de lange periode waarin de feiten zijn gepleegd, van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich meebrengt. Anders dan de raadsvrouw heeft bepleit, kan de straf niet worden beperkt tot de maximale taakstraf plus een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf omdat dit onvoldoende recht zou doen aan de ernst van de feiten. Ook acht het hof, anders dan de rechtbank, mede gelet op de hierboven beschreven rapporten, redenen aanwezig om een deel van de gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm op te leggen. De voorwaardelijke gevangenisstraf dient er mede toe te proberen om verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw schuldig te maken aan het plegen van strafbare feiten.
Het hof acht de eis van de officier van justitie in beginsel passend en geboden. Vanwege de geringe schending van de redelijke termijn in eerste aanleg zal het hof een korting toepassen op het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf.
Daarnaast verbindt het hof daaraan de bijzondere voorwaarden van verplicht reclasseringscontact en het verplicht inzage geven in financiën en schulden. Het hof ziet aanleiding om een proeftijd van drie jaren op te leggen.
Het onder 8 bewezenverklaarde feit is een overtreding waarvoor het hof een aparte straf moet opleggen. Nu het feit wordt bestraft met een geldboete van de tweede categorie, zal het hof een voorwaardelijke geldboete opleggen van € 2.000,-, te vervangen door dertig dagen hechtenis met een proeftijd van drie jaren.”
2.3.
De in het cassatiemiddel aangevochten passage is in het geheel van de strafmotivering van zodanig ondergeschikt belang dat – ook als het cassatiemiddel terecht is voorgesteld – het cassatiemiddel wegens gebrek aan belang niet tot cassatie kan leiden.

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

3.1
Het hof heeft de verdachte de verplichtingen opgelegd, kort gezegd, om aan de Staat ten behoeve van de in het arrest genoemde slachtoffers de in het arrest vermelde bedragen te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door telkens 182 dagen gijzeling.
3.2
Op grond van artikel 36f lid 5 van het Wetboek van Strafrecht bepaalt de rechter bij de oplegging van de maatregel de duur volgens welke met toepassing van artikel 6:4:20 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) gijzeling kan worden toegepast. De duur van de gijzeling beloopt ten hoogste één jaar waarbij in deze zaak geldt dat onder één jaar 360 dagen moet worden verstaan (vgl. HR 1 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:812).
3.3
De Hoge Raad zal de uitspraak van het hof ambtshalve vernietigen en zelf de duur van de gijzeling verminderen in die zin dat is voldaan aan het wettelijk bepaalde maximum van één jaar.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de gijzeling die is verbonden aan de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de in het arrest genoemde slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2];
- bepaalt dat voor zover het hof ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [slachtoffer 1] met toepassing van artikel 6:4:20 Sv de gijzeling op 182 dagen heeft bepaald, dient te worden uitgegaan van een gijzeling voor de duur van 180 dagen;
- bepaalt dat voor zover het hof ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [slachtoffer 2] met toepassing van artikel 6:4:20 Sv de gijzeling op 182 dagen heeft bepaald, dient te worden uitgegaan van een gijzeling voor de duur van 180 dagen;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren J.C.A.M. Claassens en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
5 april 2022.